vrijdag 17 juni 2011

lomkiesavetoe

Het is zondagavond 23 februari 1964. Hasselt, het grootste dorp van Belgisch Limburg, dat in die tijd nog niet fameus de moeite was heen te gaan, is rustig. Op deze koude avond zitten gezinnen warm binnen en leggen ouders hun kinderen te slapen. Buiten is geen mens meer te zien, de dag erop was het weer vroeg dag. De rust wordt om 22u06 plots verstoord. Uit het niets klinkt er een zware en grommende vrouwenstem vanuit een huis op de Havermarkt, gevolgd door het geluid van brekend glas. Haar buren reppen zich in hun nachtkledij naar buiten en kunnen daar hun anders altijd zo rustige buurvrouw Irma haar ruiten zien inslaan met de achterkant van een keukenmes. De vrouw is door het dolle heen en merkt niets van de mensen die rond haar huis zijn komen staan. Ze blijft schreeuwen totdat haar laatste ruit uit haar voorgevel geklopt is. Haar buren staan er als verstomd bij en durven haar niet tegenhouden. Zelfs nu ze klaar is met haar werk en ze al wat kalmer geworden is, weet niemand wat te doen in deze vreemde situatie. Jean, een struise vent van bovenaan de 20 zucht en zegt met luide stem zodat iedereen het kan horen: "hij is hier geweest. Een derde slachtoffer is gevallen in Hasselt." De omstanders schrikken op, want zij weten meteen wie Jean bedoelt. Precies twee weken geleden heeft een man uit de Manteliusstraat zijn kinderen opgesloten in een keukenkast en een week geleden stak een vrouw uit de Spoorwegstraat haar kat in brand. Allebei zeiden ze dat er een man in een wit kostuum was langs gekomen. Hij had met hen gepraat in het Nederlands, maar met een Frans accent in de stem. Ze vertelden niet waarover hij het had of waarom hij daar was. Het enige wat ze zeiden was dat de man gelijk had. De man, enkelen noemen hem Lomkiesavetoe, heeft een collectieve angst over de bevolking gebracht en vandaag is hij weer gekomen. 'Wie zou volgende zondag aan de beurt zijn', is alles wat er bij deze mensen in hun nachtkledij nu nog door het hoofd gaat. Ondertussen is Irma begonnen om met de scherpe kant van haar mes haar raamwerk door te zagen. Enkelen, onder wie Jean, schieten nu in actie en proberen haar tot bedaren te brengen. "Laat me los. Hij had gelijk! Ik moet voortwerken," schreeuwde ze met een arrogante en obsessieve stem die niemand van haar gewoon was.

De volgende ochtend is Hasselt al vroeg uit de veren en gaat het stadsleven zijn gewone gangetje, met uitzondering in enkele gezinnen uit de Havermarkt. Na een nacht van weinig slapen en veel piekeren wordt ook Jean om 7u wakker. Hij staat op en kleedt zich aan. Zonder te ontbijten, zich te scheren of zijn vrouw een goede ochtend te wensen stapt hij meteen de deur uit, op weg naar het gemeentehuis. Hij moet de burgemeester inlichten over wat er gisteren gebeurd is. Hasselt wordt onveilig gemaakt door een man die enkel praat met mensen, maar wiens woorden krachtiger zijn dan de achterkant van een keukenmes. Zijn woorden zijn eigenlijk daden; maar wel daden die niet eens door hem gepleegd zijn. Deze man moet opgespoord worden om te voorkomen dat dit nog een keer zou gebeuren... In zijn eigen gedachten verzonken loopt Jean meteen naar de Grote Markt en kijkt hij niet eens meer om naar het huis van zijn buurvrouw Irma, waarvan ondertussen het raamwerk (luiken inclusief) en de deuropening doorgezaagd is en Irma nog druk in de weer is met haar dakraam. Hij komt aan bij de Grote Markt en schrikt met wat hij daar te zien krijgt. Over het hele plein staat met lettergrootte 20 000 één zin in witte verf geschreven:
     C' est la vérité, ce que je dis
Niet alleen Jean zag deze woorden die ochtend staan, heel Hasselt stond er vol mee. In koeienletters op de kerk zowel als in het klein op de reiling van de brug over het kanaal op de Kempense Steenweg stond deze vaagheid te lezen. Jean krijgt nu echt de schrik te pakken en wil nog vlugger naar het gemeentehuis toe om de burgemeester in te lichten. Hij draait zich om en alsof het die ochtend clichéochtend is, staat daar nu vlak tegenover hem een magere man in een wit kostuum. Zijn gezicht is vlak met een vooruit stekende kin en een sikje. Op zijn gezicht is een lichte glimlach te zien. Die is echter nergens te bespeuren op het gezicht van Jean, die zelfs de kracht niet meer heeft om weg te vluchten. De magere man slaat zijn arm om hem heen en zegt in gebrekkig Nederlands: "laten wij eens kezellik babbul, mijn friend."

Geen opmerkingen:

Een reactie posten