Wel sapperdepitjes, zo is het wel eventjes genoeg geweest, dacht ik dan bij mezelf. Ik was dat doodgaan mooi beu. Daarom besloot ik het vliegtuig naar Papoea-Nieuw-Guinea te nemen om mijn zinnen wat te verzetten. Er lag geen enveloppe naast mijn bed, dwanggedachtes om vroegtijdig het vliegtuig uit te stappen had ik niet en Papoea-Nieuw-Guinea was een warme plek, ver van de Himalaya. Ik had zelfs gezorgd dat ik een helm aanhad. Want zoals de knappe koppen onder mijn lezers vast zullen weten, is er meer kans dat men in Papoea-Nieuw-Guinea sterft door een kokosnoot op het hoofd te krijgen dan door de aanval van een haai. Kortom, er kon mij niets meer gebeuren. Ik wilde immers niet dood.
En jawel hoor, eens aangekomen in het prachtige Nieuw-Guinese regenwoud, was het een kokosnoot die mijn helm brak. Amai jong goed dat ik die helm op had hé shit jong haha en ik dacht het nog op voorhand ik zei nog ik moet een helm meenemen en voila hier sta ik nu en daar valt gewoon boenk ene op mijn hoofd ik had echt zoiets van allé nu, was het laatste wat ik dacht. Met het afnemen van mijn kapotte helm viel er jammerlijk genoeg nóg een kokosnoot op mijn hoofd! Wat een pech, ik was weer dood.
vrijdag 30 september 2011
woensdag 28 september 2011
Robin gaat dood III: determinisme
Het was een dag die op voorhand alleen maar verwachtingen leek te scheppen, zo'n beetje als een verjaardag. Toen ik wakker werd, wilde ik dan ook meteen opstaan om geen enkele verrassing te moeten missen die mij toegeworpen zou worden. Ik zette me rechtop in bed, klaar om eruit te stappen, toen ik een enveloppe op mijn nachtkastje zag liggen. Het werd de enveloppe die de rest van mijn leven zou bepalen. Het enige dat erin zat was een klein papiertje waarop tekst getypt was:
Vandaag ga je dood.
Meer stond er helemaal niet op. Ik fronste mijn wenkbrauwen en dacht niet eens lang na wiens flauwe grap dit kon zijn. Het papiertje legde ik op mijn bureau en ik ging door met het verkennen van de schoonheid die de vrije dag voor mij in petto zou hebben.
"Moet ge zien wat 'r langs mijn bed lag deze morgen," zei ik tegen mijn moeder die ik even later beneden zag.
"Ik zag het liggen, jongen. Is er iets dat ge deze laatste dag graag nog wilt doen?"
Dat was dus het eerste wat ze erop zei en ze bedoelde het serieus. In plaats van de objectiviteit van dat belachelijke papiertje in twijfel te trekken, vroeg ze wat ik nog wilde doen mijn laatste dag.
"Maar mama..."
"Ik zou u er maar beter bij neerleggen, Robin. Ge kunt toch zelf ook lezen wat er staat."
Mijn broer, mijn vader, mijn vrienden... Iedereen probeerde ik te vertellen wat voor iets geks mij overkomen was, maar allemaal zeiden ze hetzelfde: ze vonden het allemaal zeer jammer voor mij en wilden me helpen er nog het beste van te maken.
De gedachte dat ik bij niemand begrip vond, maakte mij bang. Middenin een wereld van vrijheid was ik vastgeprikt met een punaise. Bewegen had schijnbaar geen zin meer; ik kon alleen maar uitkijken naar al wat rondom mij niet grijpbaar was. Hoewel ik waarschijnlijk hetzelfde antwoord kon verwachten, gooide ik al mijn hoop in mijn knapzak en liep naar de persoon die mij nooit alleen zou achterlaten: mijn liefste oma.
"Ah, daar zijt ge. Het is al namiddag op uwe laatste dag."
"Oma... zeg alsjeblieft dat ge voor de grap bezig zijt. Iedereen gelooft precies eerder een onnozel papierke dan hun eigen verstand."
"Het is nu eenmaal Het Leven dat die keuze voor u heeft gemaakt, waarvan ge alleen maar blij moogt zijn die op voorhand te weten. Zie uw einde onder ogen."
Mijn knapzak viel van mijn schouder en alle sprankjes kozen de vrijheid. Ik kreeg een plotse steek van de punaise die mij neerhield en begon te wenen.
"Laten we samen uw laatste uren doorbrengen, Robin. We kunnen alles doen wat ge wilt. We kunnen een sp... Robin? Robin!!"
De leegte waar vroeger hoop, liefde en levenslust zat, was nu opgevuld met een onbeheersbare woede. Er was gewoonweg niemand die mij nog begrijpen kon. Ik was bij haar weggelopen met nog één doel voor ogen: ik wilde zo rap mogelijk dood. Het eerste bruikbare dat ik op mijn weg terug tegenkwam, was een flesje Sint Bernardus Abt 12 dat langs de kant van de weg stond. Ik sloeg het flesje kapot tegen de stoeprand, veegde de scherven bij elkaar en mikte de halve fles met de vlijmscherpe rand recht in mijn hart.
Ik was dood.
"Beste Robin
Vandaag ga je dood.
Het beste nog.
mvg,
Het Leven"
"Moet ge zien wat 'r langs mijn bed lag deze morgen," zei ik tegen mijn moeder die ik even later beneden zag.
"Ik zag het liggen, jongen. Is er iets dat ge deze laatste dag graag nog wilt doen?"
Dat was dus het eerste wat ze erop zei en ze bedoelde het serieus. In plaats van de objectiviteit van dat belachelijke papiertje in twijfel te trekken, vroeg ze wat ik nog wilde doen mijn laatste dag.
"Maar mama..."
"Ik zou u er maar beter bij neerleggen, Robin. Ge kunt toch zelf ook lezen wat er staat."
Mijn broer, mijn vader, mijn vrienden... Iedereen probeerde ik te vertellen wat voor iets geks mij overkomen was, maar allemaal zeiden ze hetzelfde: ze vonden het allemaal zeer jammer voor mij en wilden me helpen er nog het beste van te maken.
De gedachte dat ik bij niemand begrip vond, maakte mij bang. Middenin een wereld van vrijheid was ik vastgeprikt met een punaise. Bewegen had schijnbaar geen zin meer; ik kon alleen maar uitkijken naar al wat rondom mij niet grijpbaar was. Hoewel ik waarschijnlijk hetzelfde antwoord kon verwachten, gooide ik al mijn hoop in mijn knapzak en liep naar de persoon die mij nooit alleen zou achterlaten: mijn liefste oma.
"Ah, daar zijt ge. Het is al namiddag op uwe laatste dag."
"Oma... zeg alsjeblieft dat ge voor de grap bezig zijt. Iedereen gelooft precies eerder een onnozel papierke dan hun eigen verstand."
"Het is nu eenmaal Het Leven dat die keuze voor u heeft gemaakt, waarvan ge alleen maar blij moogt zijn die op voorhand te weten. Zie uw einde onder ogen."
Mijn knapzak viel van mijn schouder en alle sprankjes kozen de vrijheid. Ik kreeg een plotse steek van de punaise die mij neerhield en begon te wenen.
"Laten we samen uw laatste uren doorbrengen, Robin. We kunnen alles doen wat ge wilt. We kunnen een sp... Robin? Robin!!"
De leegte waar vroeger hoop, liefde en levenslust zat, was nu opgevuld met een onbeheersbare woede. Er was gewoonweg niemand die mij nog begrijpen kon. Ik was bij haar weggelopen met nog één doel voor ogen: ik wilde zo rap mogelijk dood. Het eerste bruikbare dat ik op mijn weg terug tegenkwam, was een flesje Sint Bernardus Abt 12 dat langs de kant van de weg stond. Ik sloeg het flesje kapot tegen de stoeprand, veegde de scherven bij elkaar en mikte de halve fles met de vlijmscherpe rand recht in mijn hart.
Ik was dood.
woensdag 21 september 2011
Robin gaat dood II: sneeuw
Een mens kan zich nog zoveel voorbereiden op wat komen gaat, het is pas wanneer hij er middenin staat dat hij voelt wat het echt is. Zo was ik een keer op wandel in de Himalaya vergezeld met mijn goede vriend Tim en vier sherpa's. Om in de Indiase streek Lahaul te kunnen geraken, moesten we de Rohtangpas over de Pir Panjalketen nemen.
We moesten ergens op het hoogste punt zijn, want de wind was hier ijzig koud en waaide sterk. Doordat er meer sneeuw dan lucht verplaatst werd, kon ik nog geen twee meter voor mij uitkijken. Ik liep achteraan, als een marionet de voetsporen van Tim volgend. Althans, zolang mijn lichaam van plan was het nog vol te houden. Het was koud. Man, wat was het toch koud. De hoge lappen sneeuw en de vrieskou waar we door moesten, speelden mij niet alleen fysiek, maar nu ook mentaal parten. Er was de constante kwelling niet eens te weten hoe ver het nog was en een bijna ziekelijke drift om alles te willen doen om daar weg te geraken. En dan kwam ook de gedachte dat ik wel spoedig zou sterven.
En gelijk had ik, want meteen staakte het geluid van voetstappen voor mij. Ik kon nu Tim zien die zich naar mij omdraaide. Hij nam het touw vast dat ons samenhield en sneed het met een dolk over, waarna hij zijn blik op mij richtte. Het was een uitzinnige en obsessieve blik die niet veel goeds met mij leek voor te hebben. Het was duidelijk dat de ijzige kou ook zijn gedachten had aangetast. Met zijn dolk in zijn hand staarde hij mij nog steeds aan. Ik kreeg schrik maar was niet eens in staat mij te bewegen. Nu zag ik ook dat Tims touw langs de voorkant was overgesneden. De sherpa's waren vast ook al ver weg. "Kijk eens waar jij ons gebracht hebt, Robin," sprak Tim, "ah neen, dat kun je niet zien, want er zit sneeuw voor! Wat was er toch mis met de Platwijers? Waarom koos jij ervoor om ons te laten doodvriezen in de Himalaya?" Dat laatste schreeuwde hij uit. Zijn woede verwijdde zijn oogleden en deed zijn dolk pijn lijden onder de strakke greep van zijn vingers. Hij was niet meer bij zinnen te brengen, dacht ik, ik zal spoedig sterven.
En gelijk had ik, want naast mij was een wezen wakker geworden dat niet opgezet was met de verstoorde rust. Ik hoorde een luid snuiven en rook dat het wezen óf zo'n tien meter verder stond óf vlakbij stond maar een gigantische lichaamsgeur met zich meedroeg. Dat optie twee de juiste was, merkte ik meteen toen hij mij met grote klauwen vastnam en optilde tot op zijn ooghoogte. Voor mij zag ik een aapachtig wezen van meer dan twee meter met een vacht zo dik als tien winterjassen. Het moest een yeti zijn. O neen, wacht, het was een beer. Hij keek mij roofzuchtig aan. Ik hoor nog even Tims lach weerklinken terwijl hij van mij wegloopt. Alle hoop was nu verdwenen. Ik zou spoedig sterven.
En gelijk had ik, want de beer bleek vegetarisch en gooide mij met een slag op de grond. Hij rende weg en liet mij voor dood achter. Daar lag ik dan, helemaal alleen in de sneeuw op bijna 4000 meter boven zeeniveau in de middle of nowhere, niet in staat om enige spier in mijn lichaam te gebruiken buiten mijn hart. De sneeuw bedekte al vlug mijn lichaam. Ik ging dood.
We moesten ergens op het hoogste punt zijn, want de wind was hier ijzig koud en waaide sterk. Doordat er meer sneeuw dan lucht verplaatst werd, kon ik nog geen twee meter voor mij uitkijken. Ik liep achteraan, als een marionet de voetsporen van Tim volgend. Althans, zolang mijn lichaam van plan was het nog vol te houden. Het was koud. Man, wat was het toch koud. De hoge lappen sneeuw en de vrieskou waar we door moesten, speelden mij niet alleen fysiek, maar nu ook mentaal parten. Er was de constante kwelling niet eens te weten hoe ver het nog was en een bijna ziekelijke drift om alles te willen doen om daar weg te geraken. En dan kwam ook de gedachte dat ik wel spoedig zou sterven.
En gelijk had ik, want meteen staakte het geluid van voetstappen voor mij. Ik kon nu Tim zien die zich naar mij omdraaide. Hij nam het touw vast dat ons samenhield en sneed het met een dolk over, waarna hij zijn blik op mij richtte. Het was een uitzinnige en obsessieve blik die niet veel goeds met mij leek voor te hebben. Het was duidelijk dat de ijzige kou ook zijn gedachten had aangetast. Met zijn dolk in zijn hand staarde hij mij nog steeds aan. Ik kreeg schrik maar was niet eens in staat mij te bewegen. Nu zag ik ook dat Tims touw langs de voorkant was overgesneden. De sherpa's waren vast ook al ver weg. "Kijk eens waar jij ons gebracht hebt, Robin," sprak Tim, "ah neen, dat kun je niet zien, want er zit sneeuw voor! Wat was er toch mis met de Platwijers? Waarom koos jij ervoor om ons te laten doodvriezen in de Himalaya?" Dat laatste schreeuwde hij uit. Zijn woede verwijdde zijn oogleden en deed zijn dolk pijn lijden onder de strakke greep van zijn vingers. Hij was niet meer bij zinnen te brengen, dacht ik, ik zal spoedig sterven.
En gelijk had ik, want naast mij was een wezen wakker geworden dat niet opgezet was met de verstoorde rust. Ik hoorde een luid snuiven en rook dat het wezen óf zo'n tien meter verder stond óf vlakbij stond maar een gigantische lichaamsgeur met zich meedroeg. Dat optie twee de juiste was, merkte ik meteen toen hij mij met grote klauwen vastnam en optilde tot op zijn ooghoogte. Voor mij zag ik een aapachtig wezen van meer dan twee meter met een vacht zo dik als tien winterjassen. Het moest een yeti zijn. O neen, wacht, het was een beer. Hij keek mij roofzuchtig aan. Ik hoor nog even Tims lach weerklinken terwijl hij van mij wegloopt. Alle hoop was nu verdwenen. Ik zou spoedig sterven.
En gelijk had ik, want de beer bleek vegetarisch en gooide mij met een slag op de grond. Hij rende weg en liet mij voor dood achter. Daar lag ik dan, helemaal alleen in de sneeuw op bijna 4000 meter boven zeeniveau in de middle of nowhere, niet in staat om enige spier in mijn lichaam te gebruiken buiten mijn hart. De sneeuw bedekte al vlug mijn lichaam. Ik ging dood.
zondag 18 september 2011
Robin gaat dood I: doodvliegen
"Ja maar, helaba, wacht eens...", denkt u plotsklaps drie en een halve maand na het publiceren van Een onaangename uitstap waarin u las hoe ik in de hel terecht kwam en met de duivel begon te praten, "Robin is helemaal niet dood! Die gladjanus heeft mij gewoon wat voorgelogen." Daar bent u dan even mis, beste lezer, want ik ben wel degelijk dood. Heel erg dood zelfs. Om juist te zijn ben ik de voorbije week zo'n zes keer gestorven. Hier leest u over de eerste keer.
Het was allemaal tot in de puntjes geregeld. Er kon helemaal niets meer mislopen. Het vliegtuig had ik een week op voorhand geboekt, alles was betaald en ik kwam probleemloos door de controle. En toch had ik in mijn gedrevenheid een cruciaal feit over het hoofd gezien...
Eens op het vliegtuig had ik de deur aan het gangpad kunnen krijgen. Van daaruit kon ik België onder mij zien verdwijnen, daarna het Engelse en dan het Ierse vasteland. Onder het vliegtuig moest nu de Atlantische Oceaan liggen dus ik besloot niet langer te wachten. Ik wachtte tot de stewardess wat afgeleid was, stond recht met een gespeelde intentie om naar het toilet te gaan en ging regelrecht naar de deur toe. Ik rukte deze open waarbij een gigantische wind in mijn gezicht sloeg en mij ervan probeerde weg te houden. Nog vlug vroeg ik de stewardess de deur voor de veiligheid van de andere inzittenden weer te sluiten en sprong uit het vliegtuig.
Heel, heel even nadat mijn tippen het vliegtuig verlieten was ik vergenoegd. Want het was me gelukt. Wat ik een maand lang gepland had was gelukt: ik zou doodgaan. Het was een honderdste van een seconde later dat plots de gedachte in mij opkwam dat ik in feite echt wel ging dood gaan. Niet gewoon dood, maar dood dood. Zo van dat dood dat je echt nooit meer zal kunnen leven. Ik werd krankzinnig van die gedachte en greep met mijn handen naar het vliegtuig achter mij maar ik was al te laat. Een maand lang had ik dit moment voorbereid en het was nu pas dat ik besefte wat ik bezig was. Alles wat een paar seconden eerder een zorg leek was nu allemaal niet meer van belang in mijn hoofd. Alles wat er nog in rondtolde was: "ik wil leven". Maar ach, dat was nu toch te laat.
"Ja maar helaba, wacht eens... Als Robin dood is, hoe kan hij dan berichten t..." Dode mensen kunnen dat, oké. Zeker als ze zes keren dood zijn.
Het was allemaal tot in de puntjes geregeld. Er kon helemaal niets meer mislopen. Het vliegtuig had ik een week op voorhand geboekt, alles was betaald en ik kwam probleemloos door de controle. En toch had ik in mijn gedrevenheid een cruciaal feit over het hoofd gezien...
Eens op het vliegtuig had ik de deur aan het gangpad kunnen krijgen. Van daaruit kon ik België onder mij zien verdwijnen, daarna het Engelse en dan het Ierse vasteland. Onder het vliegtuig moest nu de Atlantische Oceaan liggen dus ik besloot niet langer te wachten. Ik wachtte tot de stewardess wat afgeleid was, stond recht met een gespeelde intentie om naar het toilet te gaan en ging regelrecht naar de deur toe. Ik rukte deze open waarbij een gigantische wind in mijn gezicht sloeg en mij ervan probeerde weg te houden. Nog vlug vroeg ik de stewardess de deur voor de veiligheid van de andere inzittenden weer te sluiten en sprong uit het vliegtuig.
Heel, heel even nadat mijn tippen het vliegtuig verlieten was ik vergenoegd. Want het was me gelukt. Wat ik een maand lang gepland had was gelukt: ik zou doodgaan. Het was een honderdste van een seconde later dat plots de gedachte in mij opkwam dat ik in feite echt wel ging dood gaan. Niet gewoon dood, maar dood dood. Zo van dat dood dat je echt nooit meer zal kunnen leven. Ik werd krankzinnig van die gedachte en greep met mijn handen naar het vliegtuig achter mij maar ik was al te laat. Een maand lang had ik dit moment voorbereid en het was nu pas dat ik besefte wat ik bezig was. Alles wat een paar seconden eerder een zorg leek was nu allemaal niet meer van belang in mijn hoofd. Alles wat er nog in rondtolde was: "ik wil leven". Maar ach, dat was nu toch te laat.
"Ja maar helaba, wacht eens... Als Robin dood is, hoe kan hij dan berichten t..." Dode mensen kunnen dat, oké. Zeker als ze zes keren dood zijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)