Christine staarde naar het oog van het pistool en probeerde zich te herinneren wat je in zo’n situatie moest doen. Een man met een wapen, was dat zoiets als een gevaarlijk roofdier? Geen angst tonen om niet als prooi over te komen en ook geen bedreiging vormen. Een betere techniek kon ze niet verzinnen en dus bleef ze staan, onstpannen. ‘Zie je wel?’, probeerde ze in gedachten over te seinen, ‘Ik ben niet klaar om te vluchten en ook niet om te vechten.’
“Niemand verlaat die zaak hier zonder dat ik er toestemming voor geef!”, raasde Il Pollo. Hij had duidelijk een kort lontje. Wat was eigenlijk zijn probleem? Haar vervalsing kon het niet zijn, want die had hij niet opgemerkt.
“Wanneer ga je de toestemming dan geven?”, vroeg La Pittrice kalm. Dat ze niet als een bedreiging overkwam was wel duidelijk - er zat immers geen pistool in haar handen, alleen ongevaarlijk inpakpapier. Praten mocht dus, redeneerde ze, zolang ze geen plotse bewegingen maakte. “Ik zal even vergeten dat jij je niet aan de afspraak hebt gehouden om geen geweer mee te nemen.” Zo, ze toonde dat ze vergevingsgezind was. Dat zou hem toch moeten kalmeren. “Jij steekt je pistool gewoon in je binnenzak, laat het ei hier en wandelt met het schilderij naar buiten. Dan is de ruil rond en hoeven we elkaar nooit meer te zien.”
Ze mocht dan wel proberen rustig en kalm over te komen, zo’n pistool op haar gericht liet haar toch niet onberoerd. Haar handen begonnen onwillekeurig weer propjes te maken van het papier dat ze vast had. Ze vreesde dat haar angst toch volledig zou doorbreken als ze teveel naar het wapen keek en dus richtte ze haar blik op een punt achter Il Pollo.
Een punt waar, heel toevallig, meer te zien was dan rekken vol oude spullen. Een monsterlijk gezicht kwam eerst uit de achterkamer, gevolgd door een oud lichaam en van woede gebalde vuisten. Jaak Dedonker, de eigenaar van de antiekzaak, was uit de zolderkamer ontsnapt en hij had een rothumeur meegenomen. Christine had kunnen weten dat hij zou ontsnappen. Twintig jaar geleden was hij ternauwernood uit het klaslokaal ontsnapt waar hij semi-per ongeluk in opgesloten was geraakt, tijdens de schoolbrand waarvoor Christine en enkele klasgenoten uiteindelijk van school waren gestuurd. Sindsdien nam Jaak overdreven veel maatregelen om een herhaling te voorkomen. Hij had vast ergens een sleutel verstopt op zolder. Misschien een zakmes om zijn boeien door te snijden. Het deed er eigenlijk niet toe hoe het precies was gelukt.
Christine probeerde zo goed mogelijk geluidloos ‘sorry’ door te seinen zonder Il Pollo te laten weten dat er nog iemand was. Dat kwam erop neer dat ze niets deed en simpelweg hoopte dat Jaak de boodschap zelf zou verzinnen.
Jaak was helemaal niet bezig met onuitgesproken dingen te raden. Hij keek fronsend naar het pistool, richtte zijn blik vervolgens op Christine en schudde meewarig zijn hoofd, alsof hij wilde zeggen: ‘ik heb het je toch gezegd?’
‘Help me dan!’, wilde Christine schreeuwen, maar dat zou hem meteen verraden en daarmee maakte ze dan haar eigen woorden onmogelijk. Jaak leek helemaal niet van plan om haar te helpen. Hij sloeg zijn armen over elkaar.
Ze keek naar Il Pollo om er zeker van te zijn dat hij haar blik niet volgde, maar de crimineel was met andere dingen bezig. Hij staarde naar haar handen en had zelfs zijn pistool daarop gericht, alsof het wapen zijn gedachten volgde. Ze was nog steeds bezig met het papier te verfrommelen, in propjes en er weer uit, zoals ze steeds deed als ze stress had.
“Het spijt me”, zei La Pittrice zachtjes. Haar ogen waren op de man met het pistool gericht, maar de woorden waren bedoeld voor de antiquair.
Il pollo schrok op en richtte onmiddelijk het pistool terug naar boven. “Wat spijt je?”, vroeg hij woedend.
Ze haalde haar schouders op en kaatste de vraag terug. “Waarom richt je een pistool op me?” Ze zag uit haar ooghoek dat Jaak een vaas vastpakte, een spuuglelijk groen exemplaar. Daarmee kwam hij dichter naar Il Pollo toe.
“Wat spijt je?”, herhaalde hij indringend, terwijl hij een beweging met het pistool maakte om aan te duiden dat hij hier het gesprek bepaalde.
Jaak was bijna bij Il Pollo. Hij had de vaas hoog geheven en leek van plan het ding als wapen te gebruiken. Hij was er bijna, maar hij zag het papier niet dat vlak voor zijn voeten op de grond lag. Zijn voet ging naar beneden. Het lawaai zou Il Pollo zeker waarschuwen.
Christine moest iets doen om hem af te leiden. Ze keek angstig om zich heen, vond niet meteen iets. Ze deed het enige dat ze kon bedenken: ze gooide het propje in haar handen op Il Pollo af. Het was een perfect schot, zoals ze al sinds haar schooltijd oefende. Het papier ging recht op zijn voorhoofd af, tussen de twee gaten in het masker waar zijn ogen achter zaten.
Nog voor het papier doel trof, reageerde Il Pollo al. Een knal, een kogel die recht op haar af kwam. Hoe vreemd, bedacht Christine met een bizarre afstandelijkheid, dat haar gehoor nog bleef werken terwijl haar zicht en zelfs pijn het al hadden opgegeven. Toen verdween ook het onregelmatige getik van de koekoeksklok in het niets.Voor de trouwe lezers, zoals beloofd de link naar de andere kant van het verhaal:
http://eenhoornszijnnooitcontent.blogspot.be/
