Het is vrijdag 9 mei 2014 en om 19u00 stapt de 70-jarige Paula Claessen in haar 6-jarige wagen Patrick. Ja, de onschuldige oma wist dat het verpersoonlijken van voertuigen niet zo gebruikelijk was als bij dieren of letters, maar deze wagen was een naam waardig. Zoals hij altijd voor hem klaar stond om haar eender waar naartoe te brengen. Voor een afspraak of voor het plezier, in de vroege ochtend of om middernacht, door de sneeuw en in de blakende zon; altijd was haar allerliefste automobiel er voor haar en nog nooit heeft ze problemen met hem ondervonden. Ze hield van hem.
Hoewel ze dolgraag met Patrick rijdt, is ze nog niet klaar om te vertrekken. Eerst nog heel even tijd maken voor haar tweede liefde: snickers. Uit haar handtas tovert ze een exemplaar van haar allerliefste snack die ze er zeventien minuten eerder in een bulkhoeveelheid ingestoken heeft, klaar om een laatste keer te kunnen genieten alvorens naar het familiefeest te moeten vertrekken.
Terwijl ze hartstochtelijk doorkauwt en haar wagen start, denkt Paula aan het familiefeest. Ze heeft er echt geen zin in. 't Is te zeggen, geen zin in de verbijstering en het geruzie, wel in de garnaalhapjes. Toch weet ze dat het moet gebeuren. De oude tante rijdt tussen de graanvelden, al zijn haar gedachten bij het feest. De oude tante rijdt tussen de graanvelden, al zijn haar gedachten bij het feest. Vanavond zal de hele familie Claessen het te weten komen en na vanavond zal er ook een oplossing zijn voor het probleem dat al anderhalf jaar boven Paula hangt. Vanavond komt het goed ...
Eer Paula doorheeft dat er een jongen naast de weg ligt, is ze er al tot vijf meter bij genaderd. Nu ja, het is eerder een fiets met daarrond een jongen, en met onder het geheel een maïsstengel. De oude vrouw schrikt op, zet Patrick tot stilstand, en loopt naar de jongen toe. Pas als ze naast hem staat, merkt ze dat het om haar neefje Maarten gaat. Ze wil hem wakker schudden, maar hij blijkt helemaal niet te slapen.
"O, tante Paula, hallo. Ik ... ben net gevallen met de fiets. Zijt ge op weg naar oma? Hoe laat is het?"
Paula bekijkt haar neefje van hoofd tot schouders, knie en teen. Een paar schrammetjes, maar hij ziet er best oké uit. "Gaat het, manneke? Waarom ligt gij hier op de grond en staat ge niet op?"
"Ik ben gevallen zeg ik toch. Rijdt ge ook naar oma?"
"Ja, kom, stap maar in de wagen. Dan laad ik uw fiets even in."
Eens in de auto bekijkt Paula haar neefje een tweede keer helemaal, denkt even na en opent haar handschoenenkastje. Maarten kan duidelijk zijn ogen niet geloven. Het 10 liter ruime bakje puilt uit van verschillende bloemen, stengels en wortels. Een heel kruidenarsenaal ontbloot zich in alle geuren en kleuren en eigenlijk toch vooral in geuren aan Maartens zintuigen. Paula's oudemensenhand grabbelt wat in het kastje en neemt er een potje kruidenzalf uit. Ze doet een ruime hoeveelheid van het spul op het topje van haar wijsvinger en wrijft het uit over de wonde op het voorhoofd van de jongen. "Ge moogt blij zijn dat ik als biologe wat van kruidengeneeskunde ken," zegt Paula, "straks is er geen schrammetje op uw hoofd te zien!" Het potje zalf propt ze samen met de gedroogde plantenlichaamsdelen weer in haar handschoenenkastje en ze start opnieuw haar wagen. Nog even neemt Maarten zijn groottante bij de arm vast, met op zijn gezicht een serieuze blik.
"De schermles was een halfuur uitgelopen en daarom ging ik rechtstreeks naar oma. Gij kwam mij tegen onderweg en hebt mijn fiets in uw auto geladen omdat ik moe was," zei hij.
"Maar ge zit onder de aarde en modder."
"Oké, ge hebt mij in uw auto meegenomen omdat ik gevallen was."
"Maar dat is toch exact wat er gebeurd is?"
"Was het maar, tante Paula, was het maar." Maar dat hoort de oude vrouw al lang niet meer. In haar hoofd zitten enkel nog garnaalhapjes, dewelke wel zeer vlug in haar buik zullen belanden.
maandag 28 april 2014
zaterdag 26 april 2014
Claessen I.VIII: Maarten
Het is vrijdag 9 mei 2014 en Maarten Claessen, 14 jaar, fietst zijn zeven kilometer lange weg van de schermles in Hasselt terug naar huis. Er hangen donkere wolken boven hem als hij om 18u30 op het laatste deel van zijn route komt: een onverlicht landweggetje tussen verschillende graansoorten en boerderijdieren. Het is dit deel dat Maarten telkens het engst vindt, omdat hij tussen stad en dorp zo ver verwijderd is van alle veiligheid en warmte.
Ook vandaag heeft Maarten zich niet goed kunnen concentreren tijdens het schermen, laat staan dat hij kon opletten op school. Dat was al vele maanden zo en het werd met de dag erger. Hij vindt het nog steeds leuk op school en kijkt ook elke week uit naar de les, maar zijn gedachten zitten waar ze niet moeten zijn. Elk klein moment van verveling betreedt Maarten namelijk de wereld die hij in zijn hoofd zelf gecreëerd had. Hij vraagt er niet om (meer zelfs, hij wil het niet eens), maar het gebeurt telkens opnieuw. De wereld die zich in het hoofd van de veertienjarige jongen afspeelt, valt niet in woorden uit te drukken. Het is geen wereld van buitenaardse wezens of mystieke wouden. Maarten weet niet eens of er überhaupt voorwerpen in voorkomen en of hij ze dan zou kunnen beschrijven. Er gebeurt weinig en er valt geen verhaal van te maken, maar de gevoelens van Maarten slingeren altijd heen en weer als hij er is. Misschien is dat nog de beste term: de wereld waarin hij in zijn eigen hoofd leeft, is een wereld van onbeschrijfbaarheid.
Het was nooit fijn vertoeven in deze wereld. Het begint voor Maarten vaak met een goed gevoel, met een niet in te tomen zin om te ontdekken wat er zich in zijn eigen wereld afspeelt. Toch gaan zijn gevoelens altijd over in weemoed, ontgoocheling en angst. Maar vroeg of laat klapt toch steeds de luchtbel en wordt hij zich bewust van de realiteit. Hij weet dan weer dat hij in de veilige echte wereld is, maar blijft telkens achter met een wrang gevoel. Het is niet de angst die blijft hangen, maar een diepe vorm van eenzaamheid. Hoewel hij in de werkelijkheid weer omringd wordt door verschillende mensen, is er geen enkele op de hele wereld die ooit zal begrijpen wat er zich in zijn hoofd afspeelt. Niet zijn beste vriend, niet zijn eigen moeder en zelfs geen enkele psycholoog. Het grootste deel van zijn tijd op aarde is hij alleen, in een wereld waar niemand ooit in terecht kon komen. Soms denkt hij dat het te maken heeft met die gruwelijke gebeurtenis van zijn opa anderhalf jaar geleden, om wat hij heeft gedaan of wat hij had moeten doen. Soms schrijft hij het gewoon toe aan de puberteit. Maar eigenlijk weet hij des te meer dat dit excuses zijn om zichzelf ervan te overtuigen dat het wel weer over zal gaan.
Maarten fietst, maar weet niet meer dat hij aan het fietsen is. Zijn gedachten zijn bedwelmd door het verdriet om de eenzaamheid. Hij voelt dat hij niet eens meer helder kan denken. De tranen in zijn ogen maken ook zijn blik troebel, waardoor hij pas op vijf meter een vrouw opmerkt aan de rand van het landweggetje. Maarten schrikt op. Er zijn zelden mensen in dit straatje en deze vrouw van ongeveer dertig jaar staat bewegingsloos langs de weg niets te doen. Voor Maarten heeft kunnen nadenken waarom ze daar staat, roept de vrouw hem toe: "Stop, Maarten, stop!" De jongen gehoorzaamt, legt zijn fiets neer en komt recht tegenover de vrouw staan. Ze is erg groot, draagt blond haar en heeft een strenge maar geruststellende blik. Maarten aarzelt om iets te zeggen. Hij is bang want hij weet niet wat er zal gaan gebeuren. Na enkele seconden begint de vrouw hem geruststellend toe te spreken: "heb geen angst, beste Maarten. Mijn naam is Filothea en ik ben hier om je te helpen." Ze pauzeert even, alsof ze beseft dat hetgeen ze nu zal zeggen nooit te geloven zal zijn. De angst van Maarten maakt plaats voor nieuwsgierigheid, maar hij blijft voorzichtig. Filothea klinkt nu ook niet bepaald als een te vertrouwen naam. "Ik weet wat er zich al bijna een jaar lang afspeelt in je hoofd. Ik ken de wereld waar je je in bevindt. Meer zelfs, ik bevind mij er zelf minstens even vaak in. Ik kende een hele tijd geleden dezelfde eenzaamheid als jij en dat nam mijn levensvreugde volledig weg."
Maarten staat aan de grond genageld en hoort zichzelf proberen zijn ongeloof weg te slikken. Hoe wist zij van hem af? Hoe heeft zij hem gevonden en wist ze meteen zijn naam? Waarom zou hij deze vrouw vertrouwen? Filothea gaat zelf verder: "in mijn reizen door die wereld voelde ik daarentegen de aanwezigheid van anderen, anderen die er zich ook bevonden en zich in de realiteit even eenzaam voelden als ik. Ik ging naar ze op zoek en heb denk ik bijna iedereen van hen gevonden." De vrouw gebaart naar het maïsveld naast haar en van daar verschijnen een tiental mensen van verschillende nationaliteiten en leeftijden. "Jij moet zowat de laatste zijn." Nog steeds is Maarten uit zijn lood geslagen. Hij kan niet geloven hoe zo veel mensen hetzelfde als hem beleven en hoe ze hier nu vanavond allemaal zijn. Toch merkt hij in ieders gezicht een oprechte glimlach, een blik die niet anders dan te vertrouwen is. "Ik begrijp dat het onvoorstelbaar klinkt, Maarten, maar wat ik zeg is waar. Wij zijn je lotgenoten, wij begrijpen je. Je dagen van eenzaamheid zijn voorbij, want vanaf nu ken je je echte verwanten." De vreugde die Maarten voelt, valt al evenmin te omschrijven als de wereld waarin hij nu niet meer alleen is. De jongen is nog nooit zo blij geweest.
Er was een harde klap nodig om de jonge Maarten uit zijn dagdroom te halen. Volledig uit zijn concentratie geslagen, vergat hij de bocht te nemen die het landweggetje abrupt nam op de hoek van een roggeveld, waardoor de jongen frontaal het maïsveld tegenover zich inreed. De botsing met een maïsstengel kwam voor beide partijen onverwacht aan. Als een klets in het gezicht viel Maarten weer in de realiteit, en tegelijk met de de stengel tegen de kunstmatig bemeste grond. De jongen is bedekt met aarde en schaafwonden, maar dat zijn de minste van zijn zorgen. Er is geen Filothea en er zijn geen anderen die de wereld in zijn hoofd kennen. Dat heeft hij zonet gedroomd. De klets van de realiteit is nog duizend keer erger dan wanneer hij uit zijn eigen wereld treedt. De enige plotse opwelling van vreugde die hij in een jaar tijd gekend heeft, blijkt in een eigen dagdroom te zijn. Het enige dat hem na zo lange tijd weer gelukkig maakte, had hij zelf verzonnen.
Bijna een halfuur moet Maarten in het maïsveld gelegen hebben, met tranen in zijn ogen en hopend dat ook dit een dagdroom was en Filothea meteen weer verschijnen zou. Het is pas de ronkende motor van een auto die hem uit zijn gedachten wakkerschudt. Maarten probeert zich zo camouflerend mogelijk op te stellen, in de hoop dat niemand ziet hoe hij naast een gebroken maïsstengel ligt. Maar het is al te laat, want de auto komt net voor hem tot stilstand.
Ook vandaag heeft Maarten zich niet goed kunnen concentreren tijdens het schermen, laat staan dat hij kon opletten op school. Dat was al vele maanden zo en het werd met de dag erger. Hij vindt het nog steeds leuk op school en kijkt ook elke week uit naar de les, maar zijn gedachten zitten waar ze niet moeten zijn. Elk klein moment van verveling betreedt Maarten namelijk de wereld die hij in zijn hoofd zelf gecreëerd had. Hij vraagt er niet om (meer zelfs, hij wil het niet eens), maar het gebeurt telkens opnieuw. De wereld die zich in het hoofd van de veertienjarige jongen afspeelt, valt niet in woorden uit te drukken. Het is geen wereld van buitenaardse wezens of mystieke wouden. Maarten weet niet eens of er überhaupt voorwerpen in voorkomen en of hij ze dan zou kunnen beschrijven. Er gebeurt weinig en er valt geen verhaal van te maken, maar de gevoelens van Maarten slingeren altijd heen en weer als hij er is. Misschien is dat nog de beste term: de wereld waarin hij in zijn eigen hoofd leeft, is een wereld van onbeschrijfbaarheid.
Het was nooit fijn vertoeven in deze wereld. Het begint voor Maarten vaak met een goed gevoel, met een niet in te tomen zin om te ontdekken wat er zich in zijn eigen wereld afspeelt. Toch gaan zijn gevoelens altijd over in weemoed, ontgoocheling en angst. Maar vroeg of laat klapt toch steeds de luchtbel en wordt hij zich bewust van de realiteit. Hij weet dan weer dat hij in de veilige echte wereld is, maar blijft telkens achter met een wrang gevoel. Het is niet de angst die blijft hangen, maar een diepe vorm van eenzaamheid. Hoewel hij in de werkelijkheid weer omringd wordt door verschillende mensen, is er geen enkele op de hele wereld die ooit zal begrijpen wat er zich in zijn hoofd afspeelt. Niet zijn beste vriend, niet zijn eigen moeder en zelfs geen enkele psycholoog. Het grootste deel van zijn tijd op aarde is hij alleen, in een wereld waar niemand ooit in terecht kon komen. Soms denkt hij dat het te maken heeft met die gruwelijke gebeurtenis van zijn opa anderhalf jaar geleden, om wat hij heeft gedaan of wat hij had moeten doen. Soms schrijft hij het gewoon toe aan de puberteit. Maar eigenlijk weet hij des te meer dat dit excuses zijn om zichzelf ervan te overtuigen dat het wel weer over zal gaan.
Maarten fietst, maar weet niet meer dat hij aan het fietsen is. Zijn gedachten zijn bedwelmd door het verdriet om de eenzaamheid. Hij voelt dat hij niet eens meer helder kan denken. De tranen in zijn ogen maken ook zijn blik troebel, waardoor hij pas op vijf meter een vrouw opmerkt aan de rand van het landweggetje. Maarten schrikt op. Er zijn zelden mensen in dit straatje en deze vrouw van ongeveer dertig jaar staat bewegingsloos langs de weg niets te doen. Voor Maarten heeft kunnen nadenken waarom ze daar staat, roept de vrouw hem toe: "Stop, Maarten, stop!" De jongen gehoorzaamt, legt zijn fiets neer en komt recht tegenover de vrouw staan. Ze is erg groot, draagt blond haar en heeft een strenge maar geruststellende blik. Maarten aarzelt om iets te zeggen. Hij is bang want hij weet niet wat er zal gaan gebeuren. Na enkele seconden begint de vrouw hem geruststellend toe te spreken: "heb geen angst, beste Maarten. Mijn naam is Filothea en ik ben hier om je te helpen." Ze pauzeert even, alsof ze beseft dat hetgeen ze nu zal zeggen nooit te geloven zal zijn. De angst van Maarten maakt plaats voor nieuwsgierigheid, maar hij blijft voorzichtig. Filothea klinkt nu ook niet bepaald als een te vertrouwen naam. "Ik weet wat er zich al bijna een jaar lang afspeelt in je hoofd. Ik ken de wereld waar je je in bevindt. Meer zelfs, ik bevind mij er zelf minstens even vaak in. Ik kende een hele tijd geleden dezelfde eenzaamheid als jij en dat nam mijn levensvreugde volledig weg."
Maarten staat aan de grond genageld en hoort zichzelf proberen zijn ongeloof weg te slikken. Hoe wist zij van hem af? Hoe heeft zij hem gevonden en wist ze meteen zijn naam? Waarom zou hij deze vrouw vertrouwen? Filothea gaat zelf verder: "in mijn reizen door die wereld voelde ik daarentegen de aanwezigheid van anderen, anderen die er zich ook bevonden en zich in de realiteit even eenzaam voelden als ik. Ik ging naar ze op zoek en heb denk ik bijna iedereen van hen gevonden." De vrouw gebaart naar het maïsveld naast haar en van daar verschijnen een tiental mensen van verschillende nationaliteiten en leeftijden. "Jij moet zowat de laatste zijn." Nog steeds is Maarten uit zijn lood geslagen. Hij kan niet geloven hoe zo veel mensen hetzelfde als hem beleven en hoe ze hier nu vanavond allemaal zijn. Toch merkt hij in ieders gezicht een oprechte glimlach, een blik die niet anders dan te vertrouwen is. "Ik begrijp dat het onvoorstelbaar klinkt, Maarten, maar wat ik zeg is waar. Wij zijn je lotgenoten, wij begrijpen je. Je dagen van eenzaamheid zijn voorbij, want vanaf nu ken je je echte verwanten." De vreugde die Maarten voelt, valt al evenmin te omschrijven als de wereld waarin hij nu niet meer alleen is. De jongen is nog nooit zo blij geweest.
Er was een harde klap nodig om de jonge Maarten uit zijn dagdroom te halen. Volledig uit zijn concentratie geslagen, vergat hij de bocht te nemen die het landweggetje abrupt nam op de hoek van een roggeveld, waardoor de jongen frontaal het maïsveld tegenover zich inreed. De botsing met een maïsstengel kwam voor beide partijen onverwacht aan. Als een klets in het gezicht viel Maarten weer in de realiteit, en tegelijk met de de stengel tegen de kunstmatig bemeste grond. De jongen is bedekt met aarde en schaafwonden, maar dat zijn de minste van zijn zorgen. Er is geen Filothea en er zijn geen anderen die de wereld in zijn hoofd kennen. Dat heeft hij zonet gedroomd. De klets van de realiteit is nog duizend keer erger dan wanneer hij uit zijn eigen wereld treedt. De enige plotse opwelling van vreugde die hij in een jaar tijd gekend heeft, blijkt in een eigen dagdroom te zijn. Het enige dat hem na zo lange tijd weer gelukkig maakte, had hij zelf verzonnen.
Bijna een halfuur moet Maarten in het maïsveld gelegen hebben, met tranen in zijn ogen en hopend dat ook dit een dagdroom was en Filothea meteen weer verschijnen zou. Het is pas de ronkende motor van een auto die hem uit zijn gedachten wakkerschudt. Maarten probeert zich zo camouflerend mogelijk op te stellen, in de hoop dat niemand ziet hoe hij naast een gebroken maïsstengel ligt. Maar het is al te laat, want de auto komt net voor hem tot stilstand.
donderdag 24 april 2014
Claessen I.VII: Mia
Plantaardige boter, piep, zes jonagold appels, piep, ingepakte veldsla, piep, twee apart verpakte biefstukken, piep piep, een rolletje geitenkaas, piep, een klein grijs brood, piep, nivea shampoo voor een gevoelige hoofdhuid, piep, belwaarde voor proximus, piep. Het is vrijdag 9 mei 2014, 18u00 en de 45-jarige Mia Claessen rondt haar vrijdagse shift af achter snelkassa twee van Carrefour Hasselt. Over dertig minuten begint voor haar het weekend. Zoals elk normaal mens kijkt Mia elke vrijdag uit naar het weekend, al is dat deze keer heel wat minder. Ze ziet erg op tegen het familiefeest dat al over anderhalf uur begint. Natuurlijk is ze blij haar broer Joël en haar moeder weer te zien, maar dat weegt niet op tegen het feit dat haar broer Alain er deze keer zal bijzijn. Als haar moeder niet uitdrukkelijk had gezegd dat ze allemaal aanwezig moesten zijn, had ze waarschijnlijk een excuus verzonnen om niet te hoeven gaan, garnaalhapjes of niet.
De man aan de andere kant van de kassa schraapt zijn keel, waardoor Mia uit haar gedachten schrikt en weer beseft dat ze aan het werk is. 'Hoeveel is het, mevrouw?' zegt de man en hij lijkt verbaasd dat zijn kassierster zo veel tijd nodig heeft om het resultaat van een optelsom voor te lezen die een computer voor haar had gemaakt. Mia leest het bedrag voor en rekent af en ondertussen scant ze met haar ogen in een subtiel vluchtige beweging het uiterlijk van de man die tegenover haar zenuwachtig het exacte bedrag in kleingeld bij elkaar sprokkelt. Mager en weinig gespierd, een scherp uitgehouwen gezicht, geleerd, netjes gekleed, rond de veertig jaar en waarschijnlijk vrijgezel. Dan kijkt ze even terug naar de inkopen. Brood, appels, shampoo... Ze twijfelt even, maar geeft de man toch zijn spaarzegeltjes. Er komen er heus nog wel betere dan deze.
En ze scheen gelijk te hebben. De volgende artikelen die ze over haar band liet rollen, bevielen haar al eens te meer. Een voorgemaakte ovenmaaltijd, een ananas, een pakje kauwgom, twee zakjes paprika chips, een kilogram kattenvoeding, een schroevendraaierset in reclame, een reeks zwarte stiftjes. Mia kan zich uit nieuwsgierigheid niet op de barcodes blijven concentreren. Nog voor ze klaar is met alle artikelen, kijkt ze heel even op om te zien wie er voor haar stond. Het is een man van minstens 45 jaar, normaal gebouwd met kort blond haar, maar met korte benen en een duidelijk zichbaar buikje. Hij heeft een geconcentreerde blik tijdens het inladen van zijn gekochte producten en die blik was gemaakt van de mooiste blauwe ogen die Mia vandaag had gezien. De man draagt eenvoudige kledij met daarover een vestje van een voor Mia onbekende firma. Hij is ongeschoren en zijn haar is pas drie dagen geleden gewassen. En zijn artikels verraden één ding zeker: deze mysterieuze klant is vrijgezel.
Mia is nu reeds drie jaar geleden, een jaar na haar scheiding, begonnen aan dit werk in de Carrefour. Dagelijks heeft ze de producten die ze afrekende een voor een bestudeerd en er het karakter van haar klanten uit proberen te halen. Sinds een jaar genieten vrijgezelle mannen tussen 40 en 55 jaar telkens wat extra aandacht van de kassierster. Mia voelt zich eenzaam thuis, met haar kinderen die steeds meer zelfstandig werden. Ze was actief op zoek naar een partner, maar ze was kieskeurig. Een aantal keren al heeft Mia een klant weten te versieren, maar een serieuze relatie is er nooit van gekomen. Deze meneer geeft haar daarentegen een goed gevoel en een mooie kans op slagen. Mia scant de laatste producten, rekent af, en stopt de verdiende spaarzegeltjes van de man in haar zak. Ze glimlacht en groet de man. Deze antwoordt met een formeel 'bedankt', neemt zijn zak vol pas vergaarde boodschappen op en wandelt weg. Mia begint haar volgende klant te helpen, maar blijft haar prooi nakijken. De volgende klant is een vrouw die enkel zongedroogde tomaatjes koopt. Ze heeft net genoeg tijd om af te rekenen. Haar totaalbedrag komt onder de 20 euro uit, waardoor ze geen zegeltjes verdient. Mia groet de zongedroogde mevrouw en wanneer de volgende klant aan de beurt is, liegt ze een "verdorie, zegeltjes vergeten!" en springt ze van haar stoel.
Als een roofdier dat dagen niet gegeten heeft, zet ze haar achtervolging in op de vrijgezelle man. Net voor de man de ingang van de winkel bereikt, roept de rennende Mia hem achterna. De nietsvermoedende klant draait zijn hoofd vragend om en kijkt verrassend op nu hij zijn kassierster voor zich ziet. "Meneer," zegt Mia lichtjes buiten adem, "u bent uw zegeltjes vergeten." De man fronst zijn wenkbrauwen en vindt dat gebaar duidelijk genoeg om niet te hoeven vragen waar de zegeltjes voor dienen. Het is een man van niet veel woorden, dat was zeker. "De spaarzegeltjes van Carrefour," gaat de kassierster verder, "vanaf twintig zegeltjes ..." "Ik spaar de zegels niet", onderbreekt de man haar. Mia wil iets antwoorden, maar ze durft niet. Ze doet of zegt helemaal niets. Ze kijkt de man alleen aan. En de man kijkt terug.
Twee mensen van ongeveer 45 jaar die elkaar nog nooit gezien hebben, staan tegenover elkaar aan de ingang van een supermarkt. Ze kijken elkaar aan. Dat was alles, maar het was blijkbaar genoeg voor Mia. Ze deed een stap dichter bij de man en stond nu op amper 10 cm van hem af. Ze haalt een briefje uit de zak van haar vestje en houdt het voor hem. "Verzamelt u dan wel telefoonnummers?" zegt ze en nog tijdens het spreken twijfelt ze aan de doeltreffendheid van die zin, al laat ze dat niet blijken. De man ziet er verward uit. Zonder iets te zeggen gaat zijn rechterhand voorzichtig naar het papiertje toe, alsof de man een zonde denkt te begaan. Het prachtige samenspel tussen adrenaline en endorfines doen een gelukszalige glimlach op het gezicht van Mia verschijnen, die op haar beurt ook de man doet glimlachen. Een teken dat voor Mia volstaat, zo blijkt, want zonder al te lang te twijfelen, neemt Mia de man aan de arm en wandelt met hem naar buiten. "Dus, vertel eens, wat doet u zoals voor werk, euh..." "Karel," antwoordt de man, "Karel Dur..."
"Karel! Da's ook toevallig, mijn ex-man heet Karel!"
De man aan de andere kant van de kassa schraapt zijn keel, waardoor Mia uit haar gedachten schrikt en weer beseft dat ze aan het werk is. 'Hoeveel is het, mevrouw?' zegt de man en hij lijkt verbaasd dat zijn kassierster zo veel tijd nodig heeft om het resultaat van een optelsom voor te lezen die een computer voor haar had gemaakt. Mia leest het bedrag voor en rekent af en ondertussen scant ze met haar ogen in een subtiel vluchtige beweging het uiterlijk van de man die tegenover haar zenuwachtig het exacte bedrag in kleingeld bij elkaar sprokkelt. Mager en weinig gespierd, een scherp uitgehouwen gezicht, geleerd, netjes gekleed, rond de veertig jaar en waarschijnlijk vrijgezel. Dan kijkt ze even terug naar de inkopen. Brood, appels, shampoo... Ze twijfelt even, maar geeft de man toch zijn spaarzegeltjes. Er komen er heus nog wel betere dan deze.
En ze scheen gelijk te hebben. De volgende artikelen die ze over haar band liet rollen, bevielen haar al eens te meer. Een voorgemaakte ovenmaaltijd, een ananas, een pakje kauwgom, twee zakjes paprika chips, een kilogram kattenvoeding, een schroevendraaierset in reclame, een reeks zwarte stiftjes. Mia kan zich uit nieuwsgierigheid niet op de barcodes blijven concentreren. Nog voor ze klaar is met alle artikelen, kijkt ze heel even op om te zien wie er voor haar stond. Het is een man van minstens 45 jaar, normaal gebouwd met kort blond haar, maar met korte benen en een duidelijk zichbaar buikje. Hij heeft een geconcentreerde blik tijdens het inladen van zijn gekochte producten en die blik was gemaakt van de mooiste blauwe ogen die Mia vandaag had gezien. De man draagt eenvoudige kledij met daarover een vestje van een voor Mia onbekende firma. Hij is ongeschoren en zijn haar is pas drie dagen geleden gewassen. En zijn artikels verraden één ding zeker: deze mysterieuze klant is vrijgezel.
Mia is nu reeds drie jaar geleden, een jaar na haar scheiding, begonnen aan dit werk in de Carrefour. Dagelijks heeft ze de producten die ze afrekende een voor een bestudeerd en er het karakter van haar klanten uit proberen te halen. Sinds een jaar genieten vrijgezelle mannen tussen 40 en 55 jaar telkens wat extra aandacht van de kassierster. Mia voelt zich eenzaam thuis, met haar kinderen die steeds meer zelfstandig werden. Ze was actief op zoek naar een partner, maar ze was kieskeurig. Een aantal keren al heeft Mia een klant weten te versieren, maar een serieuze relatie is er nooit van gekomen. Deze meneer geeft haar daarentegen een goed gevoel en een mooie kans op slagen. Mia scant de laatste producten, rekent af, en stopt de verdiende spaarzegeltjes van de man in haar zak. Ze glimlacht en groet de man. Deze antwoordt met een formeel 'bedankt', neemt zijn zak vol pas vergaarde boodschappen op en wandelt weg. Mia begint haar volgende klant te helpen, maar blijft haar prooi nakijken. De volgende klant is een vrouw die enkel zongedroogde tomaatjes koopt. Ze heeft net genoeg tijd om af te rekenen. Haar totaalbedrag komt onder de 20 euro uit, waardoor ze geen zegeltjes verdient. Mia groet de zongedroogde mevrouw en wanneer de volgende klant aan de beurt is, liegt ze een "verdorie, zegeltjes vergeten!" en springt ze van haar stoel.
Als een roofdier dat dagen niet gegeten heeft, zet ze haar achtervolging in op de vrijgezelle man. Net voor de man de ingang van de winkel bereikt, roept de rennende Mia hem achterna. De nietsvermoedende klant draait zijn hoofd vragend om en kijkt verrassend op nu hij zijn kassierster voor zich ziet. "Meneer," zegt Mia lichtjes buiten adem, "u bent uw zegeltjes vergeten." De man fronst zijn wenkbrauwen en vindt dat gebaar duidelijk genoeg om niet te hoeven vragen waar de zegeltjes voor dienen. Het is een man van niet veel woorden, dat was zeker. "De spaarzegeltjes van Carrefour," gaat de kassierster verder, "vanaf twintig zegeltjes ..." "Ik spaar de zegels niet", onderbreekt de man haar. Mia wil iets antwoorden, maar ze durft niet. Ze doet of zegt helemaal niets. Ze kijkt de man alleen aan. En de man kijkt terug.
Twee mensen van ongeveer 45 jaar die elkaar nog nooit gezien hebben, staan tegenover elkaar aan de ingang van een supermarkt. Ze kijken elkaar aan. Dat was alles, maar het was blijkbaar genoeg voor Mia. Ze deed een stap dichter bij de man en stond nu op amper 10 cm van hem af. Ze haalt een briefje uit de zak van haar vestje en houdt het voor hem. "Verzamelt u dan wel telefoonnummers?" zegt ze en nog tijdens het spreken twijfelt ze aan de doeltreffendheid van die zin, al laat ze dat niet blijken. De man ziet er verward uit. Zonder iets te zeggen gaat zijn rechterhand voorzichtig naar het papiertje toe, alsof de man een zonde denkt te begaan. Het prachtige samenspel tussen adrenaline en endorfines doen een gelukszalige glimlach op het gezicht van Mia verschijnen, die op haar beurt ook de man doet glimlachen. Een teken dat voor Mia volstaat, zo blijkt, want zonder al te lang te twijfelen, neemt Mia de man aan de arm en wandelt met hem naar buiten. "Dus, vertel eens, wat doet u zoals voor werk, euh..." "Karel," antwoordt de man, "Karel Dur..."
"Karel! Da's ook toevallig, mijn ex-man heet Karel!"
dinsdag 22 april 2014
Claessen I.VI: Tom
"Shit! Denkt ge dat hij ons gezien heeft?" Het is 17u30 op vrijdag 9 mei 2014 en de 19-jarige Tom Loyen spreekt zijn geliefde aan na een minuut lang geluidsloos achter een boom aan de Genkse Augustijnenvijvers te schuilen. Zonet hebben ze nonkel Joël zien opstaan van zijn vrijdagse portie kikkeroversteken. Zijn blik was bij het rechtstaan in het rond gegaan en had ongetwijfeld het verliefde stel gespot. Maar heeft hij gezien dat zij het waren? Heeft hij zijn eigen neefje en nichtje herkend in de veraf staande gezichten?
"Maar nee, Tom. Nonkel Joël heeft ons al zo lang niet meer gezien. Hij kent ons sowieso niet meer."
"Sowieso wel hé. Allez jong, wedden dat hij het nu tegen oma aan het zeggen is."
"Sowieso niet jong. Hij heeft ons niet gezien en als dat zo was zou hij het echt wel voor zichzelf houden."
Tom voelt de woede opborrelen die deze onvoorzichtigheid teweeg heeft gebracht. Hij haalt zijn armen rond zijn geliefde vandaan en begint geïrriteerd heen en weer te wandelen, met af en toe een schop tegen een onschuldige oesterzwam of adelaarsvaren.
"Op eender welke andere dag, Lisa, maar toch niet vandaag!" Tom kan er niet van over. "Straks zien we hem verdomme weer op het feest. En dan weet vast iedereen het: neef en nicht hebben geheime relatie."
"Bedoelt ge nu dat dat in de krant komt te staan?"
"'t Is niet grappig, Lisa. Wat als oma erachter komt?"
"Och, er is nog niks gebeurd. Straks zien we elkaar op het familiefeest na elkaar anderhalf jaar niet gezien te hebben. Ik denk dat nonkel Joël het spelletje graag meespeelt voor een lekkere doos pralines."
"Ik hoop het. Ik moet maar eens naar huis gaan voor mama thuiskomt. Ze werkt tot 18u30 vandaag."
Lisa fronst haar wenkbrauwen en draait haar hoofd naar beneden om de horloge van Tom te kunnen lezen. Al vlug is ze weer boven, met een ondeugende glimlach om haar lippen. "Nog alle tijd!" Ze slaat haar armen weer om Tom heen. "En als het uitloopt, dan fietst ge toch gewoon wat sneller, mijne jong."
"Maar nee, Tom. Nonkel Joël heeft ons al zo lang niet meer gezien. Hij kent ons sowieso niet meer."
"Sowieso wel hé. Allez jong, wedden dat hij het nu tegen oma aan het zeggen is."
"Sowieso niet jong. Hij heeft ons niet gezien en als dat zo was zou hij het echt wel voor zichzelf houden."
Tom voelt de woede opborrelen die deze onvoorzichtigheid teweeg heeft gebracht. Hij haalt zijn armen rond zijn geliefde vandaan en begint geïrriteerd heen en weer te wandelen, met af en toe een schop tegen een onschuldige oesterzwam of adelaarsvaren.
"Op eender welke andere dag, Lisa, maar toch niet vandaag!" Tom kan er niet van over. "Straks zien we hem verdomme weer op het feest. En dan weet vast iedereen het: neef en nicht hebben geheime relatie."
"Bedoelt ge nu dat dat in de krant komt te staan?"
"'t Is niet grappig, Lisa. Wat als oma erachter komt?"
"Och, er is nog niks gebeurd. Straks zien we elkaar op het familiefeest na elkaar anderhalf jaar niet gezien te hebben. Ik denk dat nonkel Joël het spelletje graag meespeelt voor een lekkere doos pralines."
"Ik hoop het. Ik moet maar eens naar huis gaan voor mama thuiskomt. Ze werkt tot 18u30 vandaag."
Lisa fronst haar wenkbrauwen en draait haar hoofd naar beneden om de horloge van Tom te kunnen lezen. Al vlug is ze weer boven, met een ondeugende glimlach om haar lippen. "Nog alle tijd!" Ze slaat haar armen weer om Tom heen. "En als het uitloopt, dan fietst ge toch gewoon wat sneller, mijne jong."
zondag 20 april 2014
Claessen I.V: Lutgarde
Lutgarde Kuypers, 73 jaar, heeft nog nooit zo lang op haar hometrainer gezeten als vandaag. Het is 17u00 op vrijdag 9 mei 2014 en de sportieve grootmoeder zit met haar roze trainingsoutfit nu al ruim twee uur op haar binnenfiets. Ze is al anderhalf uur geleden van uitputting gestopt met fietsen, maar diep in gedachten verzonken heeft ze dat zelf nog niet door. Toch zit de fiets haar niet goed. Met haar brede postuur kan Lutgarde het dunne zadel minstens twee keer bedekken. Trots is ze eens te meer over haar zadelhoogte: stand drie van de acht, wat bewijst dat ze er in tegenstelling tot andere vrouwen van haar leeftijd niet kleiner op geworden is. Ook haar gezicht verraadt haar leeftijd niet. Haar schattige oma-gezichtje toont nog niet al te veel rimpels en haar blond geverfde haar maakt haar flink wat jeugdiger.
Toch is het niet haar uiterlijk waar de stil zittende Lutgarde anderhalf uur over zat te piekeren. Het zijn vooral de zenuwen voor vanavond die haar ophouden. Over een paar uur zou heel de familie nog eens samenkomen, iets wat niet meer gebeurd is sinds de begrafenis van haar man Maurice anderhalf jaar geleden. Natuurlijk heeft Lutgarde haar kinderen nog vaak gezien. Joël woont bij haar en ziet ze elke dag en Alain en vooral Mia komen nog regelmatig langs, al heeft ze hen na de ruzie van vorig jaar nooit meer samen gezien. Ook haar kleinkinderen mist ze. Hoe lang is het geleden dat Maarten en Lisa bij haar en Maurice kwamen spelen of dat Tom en zij samen koekjes maakten. Ze voelt de heimwee naar die tijden van vroeger weer naar boven komen. Ze voelt het aan haar wangen, waar zoute waterdruppeltjes naar beneden rollen. Het is schijnbaar iets wat haar haar hele leven boven het hoofd zal blijven hangen. Ook al weet ze wat het leven haar ook op haar leeftijd nog allemaal te bieden heeft, ze weet zeker dat ze zo'n mooie tijd nooit meer zal beleven. Kleinkinderen groeien op, echtgenoten gaan dood, en voor je het weet begint de minder leuke tijd van je leven.
Lutgarde probeert zich te vermannen. Ze denkt terug aan het feest, waar ze de hele familie weer samen zal zien. Iedereen zou en moest komen. Niet voor een mooie reünie waarin Mia en Alain weer goede vrienden zouden worden. O God, was het dat maar. Was het maar gewoon een uitnodiging om iedereen samen te brengen en net als vroeger een gezellig familiefeest te hebben. Nee, voor vandaag was er een andere en ergere reden om iedereen uit te nodigen, de reden die Paula, de zus van Maurice, haar maandag kwam vertellen. Opnieuw overvalt het ongeloof van maandag haar. Hoe kon het waar zijn wat ze over haar liefste Maurice had verteld? Zo kende ze hem toch niet? Had Paula iets verzonnen dan, om iets van haar gedaan te krijgen? Ze heeft haar schoonzus nooit echt kunnen vertrouwen, maar zou ze zoiets verzinnen?
En dan is het verhaal van Paula nog lang niet alles. Het gaat om hoe haar kinderen er op zullen reageren, hoe ze het zullen opvangen. Zullen ze het begrijpen en helpen of net kwaad worden? Zullen ze het wel enigszins geloven? Lutgarde is bang, en ze weet niet of ze dat of haar heimwee naar vroeger erger vindt.
De voordeur gaat open en eindelijk breekt voor Lutgarde de eindeloze ketting van gedachten. Ze zit weer op haar stoel. Het is Joël die vanuit de hal het huis binnenstormt: "Ma, ge raadt echt nooit wat ik net gezien heb! Ik was..." Joël komt aan bij zijn moeder en is verbaasd haar nog steeds op de hometrainer te zien zitten. "Allez, ma, het is half zes! We moeten aan de hapjes beginnen. Kom, dan vertel ik u ondertussen wat er gebeurd is."
Toch is het niet haar uiterlijk waar de stil zittende Lutgarde anderhalf uur over zat te piekeren. Het zijn vooral de zenuwen voor vanavond die haar ophouden. Over een paar uur zou heel de familie nog eens samenkomen, iets wat niet meer gebeurd is sinds de begrafenis van haar man Maurice anderhalf jaar geleden. Natuurlijk heeft Lutgarde haar kinderen nog vaak gezien. Joël woont bij haar en ziet ze elke dag en Alain en vooral Mia komen nog regelmatig langs, al heeft ze hen na de ruzie van vorig jaar nooit meer samen gezien. Ook haar kleinkinderen mist ze. Hoe lang is het geleden dat Maarten en Lisa bij haar en Maurice kwamen spelen of dat Tom en zij samen koekjes maakten. Ze voelt de heimwee naar die tijden van vroeger weer naar boven komen. Ze voelt het aan haar wangen, waar zoute waterdruppeltjes naar beneden rollen. Het is schijnbaar iets wat haar haar hele leven boven het hoofd zal blijven hangen. Ook al weet ze wat het leven haar ook op haar leeftijd nog allemaal te bieden heeft, ze weet zeker dat ze zo'n mooie tijd nooit meer zal beleven. Kleinkinderen groeien op, echtgenoten gaan dood, en voor je het weet begint de minder leuke tijd van je leven.
Lutgarde probeert zich te vermannen. Ze denkt terug aan het feest, waar ze de hele familie weer samen zal zien. Iedereen zou en moest komen. Niet voor een mooie reünie waarin Mia en Alain weer goede vrienden zouden worden. O God, was het dat maar. Was het maar gewoon een uitnodiging om iedereen samen te brengen en net als vroeger een gezellig familiefeest te hebben. Nee, voor vandaag was er een andere en ergere reden om iedereen uit te nodigen, de reden die Paula, de zus van Maurice, haar maandag kwam vertellen. Opnieuw overvalt het ongeloof van maandag haar. Hoe kon het waar zijn wat ze over haar liefste Maurice had verteld? Zo kende ze hem toch niet? Had Paula iets verzonnen dan, om iets van haar gedaan te krijgen? Ze heeft haar schoonzus nooit echt kunnen vertrouwen, maar zou ze zoiets verzinnen?
En dan is het verhaal van Paula nog lang niet alles. Het gaat om hoe haar kinderen er op zullen reageren, hoe ze het zullen opvangen. Zullen ze het begrijpen en helpen of net kwaad worden? Zullen ze het wel enigszins geloven? Lutgarde is bang, en ze weet niet of ze dat of haar heimwee naar vroeger erger vindt.
De voordeur gaat open en eindelijk breekt voor Lutgarde de eindeloze ketting van gedachten. Ze zit weer op haar stoel. Het is Joël die vanuit de hal het huis binnenstormt: "Ma, ge raadt echt nooit wat ik net gezien heb! Ik was..." Joël komt aan bij zijn moeder en is verbaasd haar nog steeds op de hometrainer te zien zitten. "Allez, ma, het is half zes! We moeten aan de hapjes beginnen. Kom, dan vertel ik u ondertussen wat er gebeurd is."
vrijdag 18 april 2014
Claessen I.IV: Joël
De dag dat Joël Claessen erachter kwam dat hij gelukkig was, verschilde eigenlijk niet van een andere. Het was een vrijdag 9 mei 2014 om 16u30 en vlakbij de Gentse Augustijnenvijvers , op de mossige bodem aan de rand van de steenweg en haast onvindbaar voor wie hem er niet zou zoeken, lag Joël. De magere 38-jarige man lag op zijn buik en was gekleed in een korte broek, een t-shirt van Queen en een wollen trui, met een pet die zijn grote dos krulhaar bij elkaar hield. Voor hem lagen zijn pen en notitieboekje, links van hem lag Pascal. Zijn beste vriend was er namelijk elke vrijdagochtend bij als hij er lag. In je eentje kikkers een veilige oversteek naar de overkant van de steenweg proberen te geven, dat zou immers onbegonnen werk zijn! Joël mocht er niet aan denken. Nu, het was eigenlijk Pascal die de kikkers elke weekendochtend over zette; Joël hield de statistieken bij en keek altijd uit of er geen auto's aankwamen - een taak die volgens hem minstens zo belangrijk was als de oversteek zelf leveren.
Daar lag Joël dus, op de vochtige mosbodem. Zijn hoofd rustte op zijn armen, maar dat maakte hem niet minder alert. Ze lagen er al drie kwartier zonder een kikker te zien, maar dat kon Joël niets schelen. Hij moest namelijk denken aan wat zijn leven tot nu toe geworden was: een vaste job bij de brandweer, een goede gezondheid en een blijvende liefde voor amfibieën. Een gelukzalige glimlach verscheen op zijn gezicht. Voor de eerste keer besefte hij welk leven hij leidde en hoe dankbaar hij er eigenlijk voor moet zijn. Even dacht hij aan zijn vader, die anderhalf jaar geleden overleden was. Hij had het een jaar lang heel moeilijk gehad om zich erover te zetten, net als zijn moeder, maar had er uiteindelijk vrede mee kunnen nemen. Hij wist dat zijn vader gewild zou hebben dat hij van het leven bleef genieten, voor zijn moeder zou zorgen en gelukkig kon zijn. In zichzelf bedankte hij zijn vader en hij merkte dat zijn glimlach dieper en intenser was dan hij ooit had ervaren. Zijn glimlach keerde zich naar Pascal, die even geconcentreerd als altijd voor zich uit staarde. Joël schraapte zijn keel: "ik denk dat ik gelukkig ben, Pascal." Pascal verloor zijn concentratie, maar bleef voor zich kijken: "da's zeker, jong. Da's zeker," sloot Pascal het onderwerp af en stelde zijn blik weer op scherp.
Kikkers kwamen er die namiddag niet meer, maar Joël en Pascal bleven als altijd nog een uur en een kwartier paraat staan. Joël gaf er niet om, want dat hoorde er nu eenmaal bij.
Daar lag Joël dus, op de vochtige mosbodem. Zijn hoofd rustte op zijn armen, maar dat maakte hem niet minder alert. Ze lagen er al drie kwartier zonder een kikker te zien, maar dat kon Joël niets schelen. Hij moest namelijk denken aan wat zijn leven tot nu toe geworden was: een vaste job bij de brandweer, een goede gezondheid en een blijvende liefde voor amfibieën. Een gelukzalige glimlach verscheen op zijn gezicht. Voor de eerste keer besefte hij welk leven hij leidde en hoe dankbaar hij er eigenlijk voor moet zijn. Even dacht hij aan zijn vader, die anderhalf jaar geleden overleden was. Hij had het een jaar lang heel moeilijk gehad om zich erover te zetten, net als zijn moeder, maar had er uiteindelijk vrede mee kunnen nemen. Hij wist dat zijn vader gewild zou hebben dat hij van het leven bleef genieten, voor zijn moeder zou zorgen en gelukkig kon zijn. In zichzelf bedankte hij zijn vader en hij merkte dat zijn glimlach dieper en intenser was dan hij ooit had ervaren. Zijn glimlach keerde zich naar Pascal, die even geconcentreerd als altijd voor zich uit staarde. Joël schraapte zijn keel: "ik denk dat ik gelukkig ben, Pascal." Pascal verloor zijn concentratie, maar bleef voor zich kijken: "da's zeker, jong. Da's zeker," sloot Pascal het onderwerp af en stelde zijn blik weer op scherp.
Kikkers kwamen er die namiddag niet meer, maar Joël en Pascal bleven als altijd nog een uur en een kwartier paraat staan. Joël gaf er niet om, want dat hoorde er nu eenmaal bij.
woensdag 16 april 2014
Claessen I.III: Lisa
Het is vrijdag 9 mei 2014 om 16u00 en Lisa Claessen, 17 jaar, wandelt zenuwachtig rondjes aan de Genkse Augustijnenvijvers. Hoewel leerplichtig, zag de jongedame er geen probleem in een godsdienstles van haar allerlaatste middelbare schooljaar over te slaan en naar Genk te fietsen. Veel dommer zou haar dat niet maken, daar was ze van overtuigd, en de mogelijke sancties die zouden volgen, konden haar op dat moment weinig schelen. Ze is hier om veel belangrijkere redenen, die eenvoudig samen te vatten zijn in een van vlees voorziene skeletstructuur van 1m78 en 71 kg, luisterend naar de naam Tom Loyen. De les van haar geliefde is een kwartier geleden gedaan op de Diepenbeekse campus en volgens afspraak zou hij meteen daarna naar deze afgesproken plek komen. Google maps scheen er 18 minuten over te doen, Tom doet daar vast een paar minuten vanaf. Hij kan er nu dus elk moment zijn, denkt Lisa, en daarmee wordt ze meteen weer wat zenuwachtiger. Ze huppelt en probeert een danspasje en hoort niet dat haar gsm in haar rugzak voor een tweede keer rinkelt.
Het is lang niet hun eerste afspraakje. Waarom is ze dan toch zo zenuwachtig? Is het de verliefdheid, de angst om betrapt te worden of de romantiek van de verboden liefde die het zo spannend maakt? Of is het omdat ze elkaar straks weer zien op het familiefeest? Ja, het familiefeest. Wat zal het vreemd zijn om iedereen weer na anderhalf jaar tijd te zien. Nadat haar mama zich bij de begrafenis van haar opa in een ruzie heeft gestort tegen nonkel Joël en tante Mia, zijn ze er nooit meer durven langsgaan. Het is omdat oma zei dat het vandaag heel belangrijk was dat iedereen er zou zijn, anders waren ze waarschijnlijk nooit gegaan. Lisa's gedachten dwalen af naar anderhalf jaar geleden. Ze weet nog hoe ze tussen haar ruziënde familie de enige was die niet van haar stoel was opgestaan. De enige voor wie het hele tumult niets uitmaakte. De enige die nog aan opa dacht. O, opa. Wat mist ze hem toch. De tekeningen die ze maakten, de kaartspelletjes die ze speelden, zijn vriendelijke maar toch geheimzinnige glimlach.
Lisa wappert in haar hoofd de gedachten aan vroeger weg. Ze mag er niet te veel aan denken. Dan zou ze alleen maar droevig worden en zou haar misschien wel hetzelfde overkomen als haar broertje. Maarten was wel erg veranderd na de begrafenis. Was het de dood van opa of de klinkende ruzie die hem zo van streek hadden gemaakt? Of is het iets dat al altijd in hem had gezeten. Maarten was tenslotte...
De ballon van gedachten waar Lisa in zweefde, klapt in één knal uit elkaar en doet de horde vlinders in haar buik opvliegen naar alle kanten in haar lichaam. Ja, voor haar verscheen zonet haar favoriete persoon uit de geschiedenis van de mensheid: Tom Loyen.
Het is lang niet hun eerste afspraakje. Waarom is ze dan toch zo zenuwachtig? Is het de verliefdheid, de angst om betrapt te worden of de romantiek van de verboden liefde die het zo spannend maakt? Of is het omdat ze elkaar straks weer zien op het familiefeest? Ja, het familiefeest. Wat zal het vreemd zijn om iedereen weer na anderhalf jaar tijd te zien. Nadat haar mama zich bij de begrafenis van haar opa in een ruzie heeft gestort tegen nonkel Joël en tante Mia, zijn ze er nooit meer durven langsgaan. Het is omdat oma zei dat het vandaag heel belangrijk was dat iedereen er zou zijn, anders waren ze waarschijnlijk nooit gegaan. Lisa's gedachten dwalen af naar anderhalf jaar geleden. Ze weet nog hoe ze tussen haar ruziënde familie de enige was die niet van haar stoel was opgestaan. De enige voor wie het hele tumult niets uitmaakte. De enige die nog aan opa dacht. O, opa. Wat mist ze hem toch. De tekeningen die ze maakten, de kaartspelletjes die ze speelden, zijn vriendelijke maar toch geheimzinnige glimlach.
Lisa wappert in haar hoofd de gedachten aan vroeger weg. Ze mag er niet te veel aan denken. Dan zou ze alleen maar droevig worden en zou haar misschien wel hetzelfde overkomen als haar broertje. Maarten was wel erg veranderd na de begrafenis. Was het de dood van opa of de klinkende ruzie die hem zo van streek hadden gemaakt? Of is het iets dat al altijd in hem had gezeten. Maarten was tenslotte...
De ballon van gedachten waar Lisa in zweefde, klapt in één knal uit elkaar en doet de horde vlinders in haar buik opvliegen naar alle kanten in haar lichaam. Ja, voor haar verscheen zonet haar favoriete persoon uit de geschiedenis van de mensheid: Tom Loyen.
maandag 14 april 2014
Claessen I.II: Claire
Het is 15u30 op vrijdag 9 mei 2014 en de 41-jarige Claire Vandaele huilt achter haar bureau. Haar magere schouders schudden zachtjes op en neer terwijl haar gezicht belicht wordt met het intense licht van miljoenen LED-lampjes. De kleine smeerlapjes vormen samen een elektronisch bericht dat Claires leven voorgoed zal veranderen. Ze richt haar hoofd op en leest de e-mail nog een derde maal. De woorden lijken niet al te zeer veranderd.
Claire vloekt en voelt woede opborrelen. Ze wil haar computerscherm vastnemen en met volle kracht naar de grond brengen. Gelukkig beseft ze op tijd dat het scherm met een slotje vastzit aan de tafel en de kabel die het scherm binnengaat, beveiligd is met twee van die schroefjes die je eerst moet losdraaien om de kabel te kunnen loskoppelen. Een tweede vloek verlaat Claires lippen en ze probeert te kalmeren. Ze plaatst haar ellebogen op het toetsenbord voor haar, legt haar hoofd in haar handen en laat haar tranen in rust verder stromen.
Valerie, die tegenover Claire op hetzelfde bureau werkt, keert terug van de koffieautomaat en treft haar anders altijd opgetogen vriendin huilend aan. Ze plaatst de twee verse koffies op het bureau en hurkt naast haar neer. "Ben je... ben je erbij?", vraagt Valerie voorzichtig. Claire blijft bewegingsloos zitten, maar het antwoord is duidelijk. Haar vriendin legt een arm om haar magere schouder, maar ze zegt niets. Ze weet immers ook niet echt wat zeggen. Het is gewoon de harde, stomme waarheid waar geen van de twee vrouwen op de administratie van Umicore ook maar een woord over te zeggen heeft.
Na een tijdje tegen elkaar aan te zitten piekeren, neemt Claire de arm van Valerie en legt die weer op diens schoot. Ze glimlacht flauw, neemt haar gsm en belt haar man op. Haar oogleden zijn als een dam tegen de toenemende druk van opborrelende tranen wanneer ze Alain van het nieuws op de hoogte brengt.
"Alain, Claire hier"
"Ja. Ja, Ik ben erbij, ja"
"Ja."
Volzinnen kunnen er op dit moment niet af. Haar lippen trillen en ze wou dat ze nu al thuis zat bij Alain.
"1 september."
"Ja ja"
"Ja, ik weet het, Alain"
"Over een halfuur. Ik moet hier nog wat opruimen voor het weekend."
"Nee nee, natuurlijk niet."
"Ja ja, doe ik."
"Dag schat."
"Daag."
Een dam van een millimeter dikte is als vanzelfsprekend tegen geen druk bestand. Gelijk met het tikken op het rode telefoontje, stromen de tranen zich in een stortvloed op haar toetsenbord.
Valerie heeft met verwarde blik en een ondertussen lauwe koffie het gesprek proberen mee te volgen. Ze legt haar hand opnieuw op de schouder van haar vriendin en probeert een troostende boodschap: "Het..." Verder raakt ze niet, want Claires opgespaarde woorden knallen opeens uit haar mond: "Ge begrijpt het niet, Valerie! Alain werkt sinds pas halftijds, we hebben een huis af te betalen en twee kinderen te onderhouden. Lisa gaat volgend jaar naar de universiteit en Maartens psycholoog kost handenvol geld... Hoe gaan wij dat allemaal betalen?!" Zonder te wachten op een antwoord van Valerie, kijkt ze op haar gsm: 16u08. Lisa's school is uit. Ze zoekt haar nummer in haar contactenlijst en begint met bellen. Claire ademt diep in en uit, klaar om voor een derde keer op rij slecht nieuws te moeten vertellen.
Beste werknemer,
Ik het kader van de besparingsacties van Umicore werd al meegedeeld dat er enkele banen geschrapt zouden worden in de administratieve en distribuerende sector van het bedrijf. Het nationaal directiecomité heeft zich dagenlang over deze hachelijke taak gebogen. Het was dan ook uitzonderlijk moeilijk deze beslissingen te maken in een bedrijf vol gemotiveerde en productieve werknemers. Tot grote spijt van het comité meldt men u dat binnen het besparingsproces uw baan geschrapt wordt en u niet langer werkzaam kan zijn in het bedrijf vanaf 1 september 2014.Bam. Zelfs de derde keer slaat de e-mail haar halverwege het lezen met de vlakke hand in het gezicht. Verder staat er nog iets over dat haar werk altijd geapprecieerd werd, de keuze louter gevallen was op de job en niet de persoon die deze uitoefende en dat ze een hoge ontslagpremie zou krijgen, maar dat leest Claire al lang niet meer. Ze kan enkel denken aan hoe haar harde werk blijkbaar niet geloond heeft, hoe haar veel luiere collega's - en die zijn er: op de administratieve dienst zijn Claire en haar vriendin Valerie zonder twijfel de vlijtigste werkers - waarschijnlijk wel mochten blijven omwille van interne connecties of wat dan ook.
Claire vloekt en voelt woede opborrelen. Ze wil haar computerscherm vastnemen en met volle kracht naar de grond brengen. Gelukkig beseft ze op tijd dat het scherm met een slotje vastzit aan de tafel en de kabel die het scherm binnengaat, beveiligd is met twee van die schroefjes die je eerst moet losdraaien om de kabel te kunnen loskoppelen. Een tweede vloek verlaat Claires lippen en ze probeert te kalmeren. Ze plaatst haar ellebogen op het toetsenbord voor haar, legt haar hoofd in haar handen en laat haar tranen in rust verder stromen.
Valerie, die tegenover Claire op hetzelfde bureau werkt, keert terug van de koffieautomaat en treft haar anders altijd opgetogen vriendin huilend aan. Ze plaatst de twee verse koffies op het bureau en hurkt naast haar neer. "Ben je... ben je erbij?", vraagt Valerie voorzichtig. Claire blijft bewegingsloos zitten, maar het antwoord is duidelijk. Haar vriendin legt een arm om haar magere schouder, maar ze zegt niets. Ze weet immers ook niet echt wat zeggen. Het is gewoon de harde, stomme waarheid waar geen van de twee vrouwen op de administratie van Umicore ook maar een woord over te zeggen heeft.
Na een tijdje tegen elkaar aan te zitten piekeren, neemt Claire de arm van Valerie en legt die weer op diens schoot. Ze glimlacht flauw, neemt haar gsm en belt haar man op. Haar oogleden zijn als een dam tegen de toenemende druk van opborrelende tranen wanneer ze Alain van het nieuws op de hoogte brengt.
"Alain, Claire hier"
"Ja. Ja, Ik ben erbij, ja"
"Ja."
Volzinnen kunnen er op dit moment niet af. Haar lippen trillen en ze wou dat ze nu al thuis zat bij Alain.
"1 september."
"Ja ja"
"Ja, ik weet het, Alain"
"Over een halfuur. Ik moet hier nog wat opruimen voor het weekend."
"Nee nee, natuurlijk niet."
"Ja ja, doe ik."
"Dag schat."
"Daag."
Een dam van een millimeter dikte is als vanzelfsprekend tegen geen druk bestand. Gelijk met het tikken op het rode telefoontje, stromen de tranen zich in een stortvloed op haar toetsenbord.
Valerie heeft met verwarde blik en een ondertussen lauwe koffie het gesprek proberen mee te volgen. Ze legt haar hand opnieuw op de schouder van haar vriendin en probeert een troostende boodschap: "Het..." Verder raakt ze niet, want Claires opgespaarde woorden knallen opeens uit haar mond: "Ge begrijpt het niet, Valerie! Alain werkt sinds pas halftijds, we hebben een huis af te betalen en twee kinderen te onderhouden. Lisa gaat volgend jaar naar de universiteit en Maartens psycholoog kost handenvol geld... Hoe gaan wij dat allemaal betalen?!" Zonder te wachten op een antwoord van Valerie, kijkt ze op haar gsm: 16u08. Lisa's school is uit. Ze zoekt haar nummer in haar contactenlijst en begint met bellen. Claire ademt diep in en uit, klaar om voor een derde keer op rij slecht nieuws te moeten vertellen.
zaterdag 12 april 2014
Claessen I.I: Alain
Het is vrijdag 9 mei 2014, 15u00. Alain Claessen, 41 jaar, zit aan zijn keukentafel. Zijn kinderen zitten op school en zijn vrouw zit op haar werk en ondertussen denkt Alain ongestoord aan voetbal. Alain denkt nu wel altijd aan voetbal, alleen nooit aan zijn keukentafel. Meer zelfs, de keukentafel doet hem net denken aan de enige dag in zijn volwassen leven dat hij geen enkele van haar 86400 seconden aan voetbal dacht.
Nu is die bijna 19 jaar geleden, de dag dat Alain en zijn vrouw Claire voor de eerste ochtend in dit huis wakker werden. Toegegeven, het was eerder voormiddag dan ochtend toen Alain ontwaakte, terwijl naast hem de vrouw van zijn leven nog vredig lag te slapen. Alain weet nog precies hoe mooi ze eruit zag toen ze daar lag. Niet dat hij er een foto van had genomen, hoewel hij moet toegeven dat hij er best over had liggen twijfelen. Liefst had hij nog uren naar haar liggen kijken, maar aangezien dat nogal raar was en hij niet wilde dat Claire hem zou betrappen, tilde hij zichzelf heel voorzichtig uit bed en begon beneden een ontbijt te maken. Hij ging naar de bakker, kocht beleg en fruit, bakte eitjes en perste fruitsap. Als toen zijn vrouw niet naar beneden gekomen was, was hij nog vlug aan een fruitsalade begonnen. En daar stond ze dan voor hem: in nachtkledij en glunderend om alles wat op hun splinternieuwe keukentafel tentoongesteld stond. Haar ogen speurden de hele tafel af van links naar rechts en kwamen uiteindelijk uit bij de verwachtingsvolle blik van Alain. In een vlaag van verliefdheid vloog Claire in zijn armen en drukte haar tegen zich zoals ze dat nooit eerder had gedaan. Hoe iemand zo enthousiast kon zijn over vers brood, een spiegelei en wat fruit, begreep Alain niet, maar zijn eigen verliefdheid was te groot om erover na te denken.
Het was pas toen ze beiden gedaan hadden met eten en Alain nog een laatste kiwi schilde, dat voor hem veel duidelijk werd. Zijn geliefde nam de kiwi, legde hem op zijn bord en nam zijn handen vast. Het kiwivocht plakte hun beide handen tegen elkaar. Ze keek hem aan en hij voelde hoe haar handen in de zijne trilden en steun zochten bij wat ze ging zeggen: "ik... denk dat ik zwanger ben, Alain." Punt. Hoewel Claire heel graag zelfzeker wilde overkomen, verliet elk woord haar lippen als een voorzichtige vraag waar ze het antwoord maar al te graag op wilde weten. De toen nog jongvolwassen Alain gaf niet om de intonatie; hij was volledig verstomd door het nieuws. Het voelde alsof zijn hart uit zijn borstkas sprong en rond de kamer begon te vliegen. In deze onweerstaanbare vreugde slaakte de jongeman een hoge gil van blijdschap waarvan hij nooit had kunnen denken dat die in hem zat. Zijn vrouw glunderde van geluk.
Door alle vreugde heen zag Alain niet dat het hele geglunder niet lang kon duren en het gezicht van zijn vrouw ineens veranderde. Hoe ze haar wit wordende wangen bolde, haar ogen dicht kneep en haar bovenlichaam naar voren tilde in een misselijk gevoel. De straal braaksel die Claire vanuit haar maag in zijn richting stuurde, had hij dan ook helemaal niet zien aankomen. Het ontbijt dat hij met al zijn liefde had bereid en nog maar net de maag van zijn echtgenote had bereikt, vond zijn weg terug naar waar het vandaan kwam: de keukentafel. De eerste seconden kon Alain niet reageren, als in een trance door zijn eigen geluk.
Daar eindigt de herinnering van Alain: twee geliefden die aan hun nieuwe keukentafel elkaars plakkerige handen vasthouden. Tussen hen in ligt gebruikt keukenmateriaal, een plasje braaksel en een half gepelde kiwi. Het was een dag waarop zo veel vreugde tegelijk aan Alain te beurt viel. Een dag waarop hij geen tijd had om aan voetbal te denken.
Meer dan een uur lang blijft Alain daar zitten, met een opdrogende traan op zijn linkerwang, totdat hij telefoon krijgt van zijn allerliefste Claire.
Nu is die bijna 19 jaar geleden, de dag dat Alain en zijn vrouw Claire voor de eerste ochtend in dit huis wakker werden. Toegegeven, het was eerder voormiddag dan ochtend toen Alain ontwaakte, terwijl naast hem de vrouw van zijn leven nog vredig lag te slapen. Alain weet nog precies hoe mooi ze eruit zag toen ze daar lag. Niet dat hij er een foto van had genomen, hoewel hij moet toegeven dat hij er best over had liggen twijfelen. Liefst had hij nog uren naar haar liggen kijken, maar aangezien dat nogal raar was en hij niet wilde dat Claire hem zou betrappen, tilde hij zichzelf heel voorzichtig uit bed en begon beneden een ontbijt te maken. Hij ging naar de bakker, kocht beleg en fruit, bakte eitjes en perste fruitsap. Als toen zijn vrouw niet naar beneden gekomen was, was hij nog vlug aan een fruitsalade begonnen. En daar stond ze dan voor hem: in nachtkledij en glunderend om alles wat op hun splinternieuwe keukentafel tentoongesteld stond. Haar ogen speurden de hele tafel af van links naar rechts en kwamen uiteindelijk uit bij de verwachtingsvolle blik van Alain. In een vlaag van verliefdheid vloog Claire in zijn armen en drukte haar tegen zich zoals ze dat nooit eerder had gedaan. Hoe iemand zo enthousiast kon zijn over vers brood, een spiegelei en wat fruit, begreep Alain niet, maar zijn eigen verliefdheid was te groot om erover na te denken.
Het was pas toen ze beiden gedaan hadden met eten en Alain nog een laatste kiwi schilde, dat voor hem veel duidelijk werd. Zijn geliefde nam de kiwi, legde hem op zijn bord en nam zijn handen vast. Het kiwivocht plakte hun beide handen tegen elkaar. Ze keek hem aan en hij voelde hoe haar handen in de zijne trilden en steun zochten bij wat ze ging zeggen: "ik... denk dat ik zwanger ben, Alain." Punt. Hoewel Claire heel graag zelfzeker wilde overkomen, verliet elk woord haar lippen als een voorzichtige vraag waar ze het antwoord maar al te graag op wilde weten. De toen nog jongvolwassen Alain gaf niet om de intonatie; hij was volledig verstomd door het nieuws. Het voelde alsof zijn hart uit zijn borstkas sprong en rond de kamer begon te vliegen. In deze onweerstaanbare vreugde slaakte de jongeman een hoge gil van blijdschap waarvan hij nooit had kunnen denken dat die in hem zat. Zijn vrouw glunderde van geluk.
Door alle vreugde heen zag Alain niet dat het hele geglunder niet lang kon duren en het gezicht van zijn vrouw ineens veranderde. Hoe ze haar wit wordende wangen bolde, haar ogen dicht kneep en haar bovenlichaam naar voren tilde in een misselijk gevoel. De straal braaksel die Claire vanuit haar maag in zijn richting stuurde, had hij dan ook helemaal niet zien aankomen. Het ontbijt dat hij met al zijn liefde had bereid en nog maar net de maag van zijn echtgenote had bereikt, vond zijn weg terug naar waar het vandaan kwam: de keukentafel. De eerste seconden kon Alain niet reageren, als in een trance door zijn eigen geluk.
Daar eindigt de herinnering van Alain: twee geliefden die aan hun nieuwe keukentafel elkaars plakkerige handen vasthouden. Tussen hen in ligt gebruikt keukenmateriaal, een plasje braaksel en een half gepelde kiwi. Het was een dag waarop zo veel vreugde tegelijk aan Alain te beurt viel. Een dag waarop hij geen tijd had om aan voetbal te denken.
Meer dan een uur lang blijft Alain daar zitten, met een opdrogende traan op zijn linkerwang, totdat hij telefoon krijgt van zijn allerliefste Claire.
Claessen: een toelichting
Beste lezer!
Welkom terug op Vertel op, Robin!, de plaats bij uitstek voor het vergezochte verhaal en de gezonde portie irrelevante onzin. Vanaf heden start er een nieuwe verhalenreeks, deze keer zonder pratende moordzuchtige dieren, maar over het leven van een doodgewone familie uit Hasselt: de familie Claessen. Deel I schetst elk familielid op zich op een doodgewone vrijdagnamiddag, waarna ze in deel II samengebracht worden op een heus familiefeest. Geen gewoon feest, maar één waar mysteries opgelost worden en de lucht volhangt met plottwisten. Of het wordt toch een gewoon familiefeest, dat kan ik u nu nog niet vertellen.
Het eerste fragmentje krijgt u er vandaag al gratis bij! De andere tekstjes zullen om de twee dagen verschijnen op deze blog. Ik wacht samen met u in spanning af wat het zal worden.
Een vriendelijke groet!
Robin
Welkom terug op Vertel op, Robin!, de plaats bij uitstek voor het vergezochte verhaal en de gezonde portie irrelevante onzin. Vanaf heden start er een nieuwe verhalenreeks, deze keer zonder pratende moordzuchtige dieren, maar over het leven van een doodgewone familie uit Hasselt: de familie Claessen. Deel I schetst elk familielid op zich op een doodgewone vrijdagnamiddag, waarna ze in deel II samengebracht worden op een heus familiefeest. Geen gewoon feest, maar één waar mysteries opgelost worden en de lucht volhangt met plottwisten. Of het wordt toch een gewoon familiefeest, dat kan ik u nu nog niet vertellen.
Het eerste fragmentje krijgt u er vandaag al gratis bij! De andere tekstjes zullen om de twee dagen verschijnen op deze blog. Ik wacht samen met u in spanning af wat het zal worden.
Een vriendelijke groet!
Robin
Abonneren op:
Posts (Atom)