Het is vrijdag 9 mei 2014 en Maarten Claessen, 14 jaar, fietst zijn zeven kilometer lange weg van de schermles in Hasselt terug naar huis. Er hangen donkere wolken boven hem als hij om 18u30 op het laatste deel van zijn route komt: een onverlicht landweggetje tussen verschillende graansoorten en boerderijdieren. Het is dit deel dat Maarten telkens het engst vindt, omdat hij tussen stad en dorp zo ver verwijderd is van alle veiligheid en warmte.
Ook vandaag heeft Maarten zich niet goed kunnen concentreren tijdens het schermen, laat staan dat hij kon opletten op school. Dat was al vele maanden zo en het werd met de dag erger. Hij vindt het nog steeds leuk op school en kijkt ook elke week uit naar de les, maar zijn gedachten zitten waar ze niet moeten zijn. Elk klein moment van verveling betreedt Maarten namelijk de wereld die hij in zijn hoofd zelf gecreëerd had. Hij vraagt er niet om (meer zelfs, hij wil het niet eens), maar het gebeurt telkens opnieuw. De wereld die zich in het hoofd van de veertienjarige jongen afspeelt, valt niet in woorden uit te drukken. Het is geen wereld van buitenaardse wezens of mystieke wouden. Maarten weet niet eens of er überhaupt voorwerpen in voorkomen en of hij ze dan zou kunnen beschrijven. Er gebeurt weinig en er valt geen verhaal van te maken, maar de gevoelens van Maarten slingeren altijd heen en weer als hij er is. Misschien is dat nog de beste term: de wereld waarin hij in zijn eigen hoofd leeft, is een wereld van onbeschrijfbaarheid.
Het was nooit fijn vertoeven in deze wereld. Het begint voor Maarten vaak met een goed gevoel, met een niet in te tomen zin om te ontdekken wat er zich in zijn eigen wereld afspeelt. Toch gaan zijn gevoelens altijd over in weemoed, ontgoocheling en angst. Maar vroeg of laat klapt toch steeds de luchtbel en wordt hij zich bewust van de realiteit. Hij weet dan weer dat hij in de veilige echte wereld is, maar blijft telkens achter met een wrang gevoel. Het is niet de angst die blijft hangen, maar een diepe vorm van eenzaamheid. Hoewel hij in de werkelijkheid weer omringd wordt door verschillende mensen, is er geen enkele op de hele wereld die ooit zal begrijpen wat er zich in zijn hoofd afspeelt. Niet zijn beste vriend, niet zijn eigen moeder en zelfs geen enkele psycholoog. Het grootste deel van zijn tijd op aarde is hij alleen, in een wereld waar niemand ooit in terecht kon komen. Soms denkt hij dat het te maken heeft met die gruwelijke gebeurtenis van zijn opa anderhalf jaar geleden, om wat hij heeft gedaan of wat hij had moeten doen. Soms schrijft hij het gewoon toe aan de puberteit. Maar eigenlijk weet hij des te meer dat dit excuses zijn om zichzelf ervan te overtuigen dat het wel weer over zal gaan.
Maarten fietst, maar weet niet meer dat hij aan het fietsen is. Zijn gedachten zijn bedwelmd door het verdriet om de eenzaamheid. Hij voelt dat hij niet eens meer helder kan denken. De tranen in zijn ogen maken ook zijn blik troebel, waardoor hij pas op vijf meter een vrouw opmerkt aan de rand van het landweggetje. Maarten schrikt op. Er zijn zelden mensen in dit straatje en deze vrouw van ongeveer dertig jaar staat bewegingsloos langs de weg niets te doen. Voor Maarten heeft kunnen nadenken waarom ze daar staat, roept de vrouw hem toe: "Stop, Maarten, stop!" De jongen gehoorzaamt, legt zijn fiets neer en komt recht tegenover de vrouw staan. Ze is erg groot, draagt blond haar en heeft een strenge maar geruststellende blik. Maarten aarzelt om iets te zeggen. Hij is bang want hij weet niet wat er zal gaan gebeuren. Na enkele seconden begint de vrouw hem geruststellend toe te spreken: "heb geen angst, beste Maarten. Mijn naam is Filothea en ik ben hier om je te helpen." Ze pauzeert even, alsof ze beseft dat hetgeen ze nu zal zeggen nooit te geloven zal zijn. De angst van Maarten maakt plaats voor nieuwsgierigheid, maar hij blijft voorzichtig. Filothea klinkt nu ook niet bepaald als een te vertrouwen naam. "Ik weet wat er zich al bijna een jaar lang afspeelt in je hoofd. Ik ken de wereld waar je je in bevindt. Meer zelfs, ik bevind mij er zelf minstens even vaak in. Ik kende een hele tijd geleden dezelfde eenzaamheid als jij en dat nam mijn levensvreugde volledig weg."
Maarten staat aan de grond genageld en hoort zichzelf proberen zijn ongeloof weg te slikken. Hoe wist zij van hem af? Hoe heeft zij hem gevonden en wist ze meteen zijn naam? Waarom zou hij deze vrouw vertrouwen? Filothea gaat zelf verder: "in mijn reizen door die wereld voelde ik daarentegen de aanwezigheid van anderen, anderen die er zich ook bevonden en zich in de realiteit even eenzaam voelden als ik. Ik ging naar ze op zoek en heb denk ik bijna iedereen van hen gevonden." De vrouw gebaart naar het maïsveld naast haar en van daar verschijnen een tiental mensen van verschillende nationaliteiten en leeftijden. "Jij moet zowat de laatste zijn." Nog steeds is Maarten uit zijn lood geslagen. Hij kan niet geloven hoe zo veel mensen hetzelfde als hem beleven en hoe ze hier nu vanavond allemaal zijn. Toch merkt hij in ieders gezicht een oprechte glimlach, een blik die niet anders dan te vertrouwen is. "Ik begrijp dat het onvoorstelbaar klinkt, Maarten, maar wat ik zeg is waar. Wij zijn je lotgenoten, wij begrijpen je. Je dagen van eenzaamheid zijn voorbij, want vanaf nu ken je je echte verwanten." De vreugde die Maarten voelt, valt al evenmin te omschrijven als de wereld waarin hij nu niet meer alleen is. De jongen is nog nooit zo blij geweest.
Er was een harde klap nodig om de jonge Maarten uit zijn dagdroom te halen. Volledig uit zijn concentratie geslagen, vergat hij de bocht te nemen die het landweggetje abrupt nam op de hoek van een roggeveld, waardoor de jongen frontaal het maïsveld tegenover zich inreed. De botsing met een maïsstengel kwam voor beide partijen onverwacht aan. Als een klets in het gezicht viel Maarten weer in de realiteit, en tegelijk met de de stengel tegen de kunstmatig bemeste grond. De jongen is bedekt met aarde en schaafwonden, maar dat zijn de minste van zijn zorgen. Er is geen Filothea en er zijn geen anderen die de wereld in zijn hoofd kennen. Dat heeft hij zonet gedroomd. De klets van de realiteit is nog duizend keer erger dan wanneer hij uit zijn eigen wereld treedt. De enige plotse opwelling van vreugde die hij in een jaar tijd gekend heeft, blijkt in een eigen dagdroom te zijn. Het enige dat hem na zo lange tijd weer gelukkig maakte, had hij zelf verzonnen.
Bijna een halfuur moet Maarten in het maïsveld gelegen hebben, met tranen in zijn ogen en hopend dat ook dit een dagdroom was en Filothea meteen weer verschijnen zou. Het is pas de ronkende motor van een auto die hem uit zijn gedachten wakkerschudt. Maarten probeert zich zo camouflerend mogelijk op te stellen, in de hoop dat niemand ziet hoe hij naast een gebroken maïsstengel ligt. Maar het is al te laat, want de auto komt net voor hem tot stilstand.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten