Een mens kan zich nog zoveel voorbereiden op wat komen gaat, het is pas wanneer hij er middenin staat dat hij voelt wat het echt is. Zo was ik een keer op wandel in de Himalaya vergezeld met mijn goede vriend Tim en vier sherpa's. Om in de Indiase streek Lahaul te kunnen geraken, moesten we de Rohtangpas over de Pir Panjalketen nemen.
We moesten ergens op het hoogste punt zijn, want de wind was hier ijzig koud en waaide sterk. Doordat er meer sneeuw dan lucht verplaatst werd, kon ik nog geen twee meter voor mij uitkijken. Ik liep achteraan, als een marionet de voetsporen van Tim volgend. Althans, zolang mijn lichaam van plan was het nog vol te houden. Het was koud. Man, wat was het toch koud. De hoge lappen sneeuw en de vrieskou waar we door moesten, speelden mij niet alleen fysiek, maar nu ook mentaal parten. Er was de constante kwelling niet eens te weten hoe ver het nog was en een bijna ziekelijke drift om alles te willen doen om daar weg te geraken. En dan kwam ook de gedachte dat ik wel spoedig zou sterven.
En gelijk had ik, want meteen staakte het geluid van voetstappen voor mij. Ik kon nu Tim zien die zich naar mij omdraaide. Hij nam het touw vast dat ons samenhield en sneed het met een dolk over, waarna hij zijn blik op mij richtte. Het was een uitzinnige en obsessieve blik die niet veel goeds met mij leek voor te hebben. Het was duidelijk dat de ijzige kou ook zijn gedachten had aangetast. Met zijn dolk in zijn hand staarde hij mij nog steeds aan. Ik kreeg schrik maar was niet eens in staat mij te bewegen. Nu zag ik ook dat Tims touw langs de voorkant was overgesneden. De sherpa's waren vast ook al ver weg. "Kijk eens waar jij ons gebracht hebt, Robin," sprak Tim, "ah neen, dat kun je niet zien, want er zit sneeuw voor! Wat was er toch mis met de Platwijers? Waarom koos jij ervoor om ons te laten doodvriezen in de Himalaya?" Dat laatste schreeuwde hij uit. Zijn woede verwijdde zijn oogleden en deed zijn dolk pijn lijden onder de strakke greep van zijn vingers. Hij was niet meer bij zinnen te brengen, dacht ik, ik zal spoedig sterven.
En gelijk had ik, want naast mij was een wezen wakker geworden dat niet opgezet was met de verstoorde rust. Ik hoorde een luid snuiven en rook dat het wezen óf zo'n tien meter verder stond óf vlakbij stond maar een gigantische lichaamsgeur met zich meedroeg. Dat optie twee de juiste was, merkte ik meteen toen hij mij met grote klauwen vastnam en optilde tot op zijn ooghoogte. Voor mij zag ik een aapachtig wezen van meer dan twee meter met een vacht zo dik als tien winterjassen. Het moest een yeti zijn. O neen, wacht, het was een beer. Hij keek mij roofzuchtig aan. Ik hoor nog even Tims lach weerklinken terwijl hij van mij wegloopt. Alle hoop was nu verdwenen. Ik zou spoedig sterven.
En gelijk had ik, want de beer bleek vegetarisch en gooide mij met een slag op de grond. Hij rende weg en liet mij voor dood achter. Daar lag ik dan, helemaal alleen in de sneeuw op bijna 4000 meter boven zeeniveau in de middle of nowhere, niet in staat om enige spier in mijn lichaam te gebruiken buiten mijn hart. De sneeuw bedekte al vlug mijn lichaam. Ik ging dood.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten