(Muziek! En anders: muziek!)
Het was alweer bijna dag aan het worden toen viervoeter Don nog steeds geen slaap had gevat. Zijn gemoed wisselde voortdurend van emotie, maar werd altijd opnieuw overheerst door angst. Terwijl de nachtelijke uren voorbij waren gestreken, werd Don er steeds zekerder van: de andere twee zouden hem spoedig willen doodmaken en zijn enige kans op overleven lag erin hen voor te zijn. Een tijd die voor hem eeuwig leek, had hij de goudzoeker en het paard geobserveerd om er zeker van te zijn dat ze sliepen. Nu was het bijna dag geworden en zou hij meteen moeten toeslaan. Don sloop naar de goudzoeker toe zoals dat van een woudlopershond verwacht wordt. Eens de man uitgeschakeld was, zou het paard wel bijdraaien, dacht de hond terwijl hij traag en geluidsloos zijn doel naderde. Pas toen hij aan de voeten van de oude man stond, zette de hond zich recht, klaar om op zijn prooi te springen.
Winston het Paard, die tot dan toe geen slaap had kunnen vatten, staarde in het rond en zag plots een gedaante voor de woudloper verschijnen. Zijn ogen konden in de duisternis niet onderscheiden wie of wat het was, maar zijn verstand had dat al lang uitgemaakt: de hond was in een staat van waanzin en zou zijn eerdere plan toch uitvoeren. Het paard richtte zijn hoofd op en haastte zich naar de woudloper. Natuurlijk hoorde Don zijn vriend aankomen. Hij keek achter zich en grijnsde naar het paard. Het was een kwaadaardige glimlach die Winston het Paard nooit van hem verwacht had en hem een ijzige rilling over zijn rug bezorgde. Net toen hij dichtbij genoeg was om in te grijpen, sprong Don zonder iets te zeggen naar de keel van zijn baas.
Wat Winston het Paard toen zag, kon hij niet geloven. De hond kwam terecht op de man en meteen gutste bloed op de slaapzak. Bovenop de slaapzak, niet eronder. Don was recht op een dolk gesprongen, die Winston veiligheidshalve rechtop had gezet onder zijn slaapzak. Winston stond op en probeerde de hond op te helpen, maar het dier was al dood. Hij richtte zijn hoofd op en schrok toen hij het paard vlak bij hem zag staan. Ontzet door wat hem juist overkomen was, keek hij het paard recht in de ogen, terwijl zijn ogen zich langzaamaan tot spleetjes vormden. De man voelde zich verraden en agressie borrelde binnenin hem op. "Dus jullie hebben samen een knap plannetje bedacht?" sprak hij met een venijnige blik tegen het paard. Hij trok, met een kracht die puur door innerlijke woede gevoed was, het zwaard tussen de ribben van de bloedende hond uit. "Jammer dat dat niet doorgaat, hé." Hij hield zijn dolk nu vlak voor de nek van het paard.
Winston het Paard kon voor de tweede keer in een minuut tijd zijn ogen niet geloven. Winston dacht dat zijn twee vrienden hadden afgesproken om hem van kant te maken. Hij wilde het hem uitleggen, maar wist evengoed dat de goudzoeker geen enkel weerwoord zou dulden. Het tegen hem opnemen was al even vergeefs, wapenloos als het paard was. Zijn enige kans bestond er dus in om weg te lopen. Het paard wisselde in één beweging van richting en rende weg van de uitzinnige man. Winston was helaas bliksemsnel. Tijdens het omdraaien greep hij de staart van het paard vast en wierp zich op zijn rug. Winston het Paard deed alles om de man eraf te werpen, terwijl zijn berijder alle tijd nam om de slagader in de nek van het paard te vinden. Met een fronsend gezicht van inspanning plantte hij zijn dolk recht in de hals van het paard en reet het paardenvlees in een haal open.
Het paard werd wild en slaagde er nu wel in de man van zich af te werpen. In een laatste krachtstoot probeerde hij weg te rennen, maar de pijn overmeesterde hem. Winston het Paard stortte neer. Toen de goudzoeker tot bij hem was gekomen, was het paard al dood. "Goed gemikt, ouwe Winston," lachtte hij zichzelf toe, "je hebt het niet verleerd."
Waar 's nachts de drie vrienden elkaar innig hadden geknuffeld, stond er bij zonsopkomst nog één van hen recht: Winston. Hij was nu weer rustig geworden en keek om zich heen. Naast hem lag een leeggebloede Winston het Paard, zijn paard dat er altijd voor hem was, met wie hij het hele Wilde Westen had doorkruist. Een paar meter verderop lag Don, zijn hond. Hij was jarenlang de trouwe vriend aan zijn zij en was tot vandaag altijd de liefste hond van heel New Mexico geweest. De man richtte zijn hoofd op naar de hemel en betreurde wat er moest gebeuren. Een traan rolde over zijn wangen, de eerste traan die hij zich in zijn woudlopersbestaan kon herinneren.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten